Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Wendische oorlog’

02-baerdze-1481-mr-wa-schpvrtmsm

Een ‘baerdze’ met averij, getekend omstreeks 1481 door ene ‘Mr WA’. Scheepvaartmuseum Amsterdam

“Een baardze bouwen, weer wat nieuws”.
De Goudse scheepstimmerman Dirk Malgerszoon had er de halve nacht van wakker gelegen. Die middag, 17 mei 1438, was een gezant van de stad bij hem op de werf langs geweest met de opdracht dat hij, op last van het stadsbestuur en de grafelijke overheid, een baardze diende te bouwen. En het schip moest vóór Pinksteren op stapel worden gezet. Dat was al over twee weken! “Mag het misschien een crayer zijn?”, zo had hij nog voorzichtig geïnformeerd. Met crayers had hij veel ervaring. Hij en zijn vader bouwden de beste crayers in de wijde omgeving. Zelfs de koning van Engeland had ze indertijd ingehuurd om zijn leger over het Kanaal naar Frankrijk te brengen. Hij had de mallen nog op zolder liggen en kon bij wijze van spreken direct aan de slag. Maar de afgevaardigde was onverbiddelijk geweest. Een baardze moest het worden en hij moest bovendien zó groot worden gemaakt dat hij op volle zee gebruikt zou kunnen worden. Orders van de hoge heren in Den Haag en uiteindelijk van de hertog zelf.

Het was daarmee onontkoombaar. Dirk Malgerszoon piekerde voort die nacht. Hij had nog nooit een baardze gebouwd en bezat geen flauw idee hoe hij dat moest aanpakken. Hij had zelfs ternauwernood een baardze gezien in zijn leven. Had het schip nou één of twee masten? Of drie? Moest er ook nog een voorkasteel op? Wat was dan de kiellengte? En hoe breed zou hij de voorsteven moeten maken? Hoeveel moest die vallen? Hoeveel hout zou hij nodig hebben? Al dat soort voor scheepsbouwers essentiële informatie ontbrak hem ten enenmale. Plotseling kreeg hij een ingeving. Het was weliswaar hoogst ongebruikelijk dat scheepsbouwers hun ambachtelijke geheimen met elkaar deelden, maar zou deze situatie niet uitzonderlijk genoeg zijn om de stap te zetten andere scheepsbouwers in Holland te bevragen hoe zij dit deden? In Amsterdam bijvoorbeeld, hij wist dat ze daar zeker ervaring hadden met het bouwen van baardzen. Zou hij niet gewoon de stoute schoenen moeten aantrekken en naar Amsterdam afreizen om daar te onderzoeken hoe je het best zo’n schip moest bouwen? Zijn collega’s daar hadden vast begrip voor zijn positie en zouden zeker bereid zijn om hun kennis met hem te delen. Hij was toch niet van plan hen concurrentie aan te doen, dus wat hadden ze te vrezen? Ze zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje met die opdracht vanuit Den Haag. Zijn besluit stond vast. Morgen zou hij bij het stadsbestuur om een toelage verzoeken voor een studiereis naar Amsterdam. Tevreden voor dit moment sliep hij in.

Zo zou het gegaan kunnen zijn. Het bovenstaande verhaal is weliswaar een beetje door de fantasie ingevuld, maar de kern berust wel degelijk op waarheid. In de Goudse stadsrekening over het jaar 1438 vinden we de vermelding dat er aan Dirk Malgerszoon een bedrag is betaald van 15 placken om in Amsterdam te gaan kijken hoe een baardze in elkaar steekt om een zelfde soort schip na te kunnen maken.

Gegheven Dirc Malgerssoen van dat hij toech tot Aemsterdam om te besien dat maecksel vanden baerdse om een andere daer nae te maken, verteert en voir syn loen xv placken;1

Blijkbaar heeft Dirk die Amsterdamse baardze succesvol kunnen aanschouwen, want het vervolg van de post vermeldt dat hem het bedrag van 115 schild is betaald om daadwerkelijk een baardze te bouwen. Dat is een flink bedrag waar je een heleboel graan voor kon kopen. Daarnaast is het gegeven dat anno 1438 een Goudse scheepstimmerman bij een Amsterdamse collega langs ging om diens werk te bestuderen en ook nog wijzer geworden naar huis terugkeerde tamelijk bijzonder. Bedenk daarbij dat in deze periode nog lang geen sprake was van overdraagbare technische scheepstekeningen. Zelfs bouwbeschrijvingen in tabelvorm, zoals we die uit de 17de eeuw kennen, bestonden nog niet. Dirk moet het Amsterdamse schip een paar keer om zijn gelopen, als het nog op stapel stond, erin hebben gekeken, een ruwe meting hebben gedaan van de afmetingen en verhoudingen; een schatting hebben gemaakt van de materiaalbehoefte en deze gegevens vervolgens in zijn hoofd, op een leitje of op een stukje papier, hebben genoteerd en dat was het dan. Voor een ervaren scheepsbouwer was dat genoeg informatie om daadwerkelijk een schip te kunnen bouwen.

Dirk Malgerszoon kreeg van het Goudse stadsbestuur ook nog een mantel ter waarde van één schild kado. Of dit een bonus was voor het succesvol afleveren van de baardze staat er helaas niet bij. Het kon er blijkbaar af, want diezelfde stadsrekening over 1438 vermeldt een grote hoeveelheid uitgaven aan timmer- en metselwerk, voor reparaties aan torens, bruggen en muren, bestrating en werk aan het stadhuis. Alles als gevolg van de grote brand die datzelfde jaar in augustus in de stad had gewoed. Ook aan die reparaties had Dirk Malgerszoon bijgedragen. Hij was dus blijkbaar niet alleen timmerman van schepen, maar ook van andere houten constructies. Dirk duikt later nog één keer op in de stadsrekening, zij het postuum. In 1439 wordt een bedrag van vier gulden uitgekeerd aan zijn weduwe als betaling voor de leverantie van planken die voor het herstel van een brug waren gebruikt.2 Misschien heeft hij zijn baardze nog voor zijn dood te water zien gaan, laten we het hopen.

Nog even over de achtergrond van dit verhaal en de context van deze Goudse scheepsbouwexercitie. In een oorkonde van 16 mei 1438, die was uitgevaardigd door Raad en Ridderschap van Holland en Zeeland namens de landsheer, hertog Filips de Goede, was aan meer dan 70 steden en dorpen in Holland en Zeeland opgedragen om een groot aantal baardzen te bouwen in verband met de oorlog tegen de Wendische steden.3 Het zou mooi zijn geweest als we ook in andere stadsrekeningen uit deze periode gegevens hadden kunnen vinden die de bouw van de nieuwe oorlogsschepen zouden bevestigen, maar jammer genoeg zijn de meeste stadsrekeningen uit de vroege 15de eeuw niet meer bewaard gebleven. Brand, opzettelijke vernietiging of gewoon zoek raken zijn daar debet aan. Zo is het grootste deel van het Delftse archief vernietigd tijdens de stadsbrand van 1536 en is het Amsterdamse middeleeuwse stadsarchief voor een belangrijk deel opgeruimd in de 18de eeuw. Het Haarlemse archief bezit wel een doorlopende reeks stadsrekeningen, maar uitgerekend het jaar 1438 ontbreekt in deze reeks. In de rekening van een jaar later, over 1439 vinden we geen gegevens die op enige wijze verwijzen naar de oorlogsinspanning. Leiden, Rotterdam noch Alkmaar bezitten rekeningen meer uit deze periode. Dat ondanks de stadsbrand het Goudse archief met de stadsrekening en de summiere, maar veelzeggende, gegevens over de baardzenbouw ter plaatse bewaard is gebleven, mag daarom een klein wonder heten. Soms blijkt een snipper middeleeuws papier genoeg om een heel verhaal te kunnen reconstrueren.

(met dank aan Sjoerd de Meer voor de tip die tot deze archiefvondst leidde)

Noten

1 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1438, inv. nr. 1126, f 19v.

2 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1439, inv.nr. 1127, f 27v.

3 Ad van der Zee, ‘De vloot van 1438’, in Holland Historisch Tijdschrift 2016-3/4, pp. 126-132.

Read Full Post »

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

Titelblad van het beroemde Zeerecht van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg.)

Titelblad van het beroemde Zeerecht (‘waterrecht’) van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg)

Een van de aardigste aspecten van het doen van onderzoek naar de periode van de Duitse Hanze (plm. 1300-1500) is de taal. Een groot deel van het bronnenmateriaal is geschreven in het Middel-nederduits, de taal die in de late Middeleeuwen vooral werd gesproken en geschreven in Noord-Duitsland, zeg maar de omgeving van Hamburg en Lübeck, maar zich gaandeweg had ontwikkeld tot een lingua franca in het hele gebied waar kooplieden van de Hanze actief waren. Dat had tot gevolg dat een koopman uit, bijvoorbeeld, Brugge zich moeiteloos kon verstaan met een collega uit Danzig (Gdánsk), Riga of zelfs het verre Nowgorod.
Omdat het Nederduits niet heel erg veel verschilt van de taal die in Holland werd gesproken, konden de Hollanders wat de communicatie betreft van meet af aan meedraaien in het internationale handelsverkeer.

Ter illustratie een stukje Nederduits uit een rapport van 8 december 1438. Pruisische ambassadeurs berichten aan hun thuisbasis, de burgemeesters en raadslieden van Danzig, over de nijpende armoede in Amsterdam als gevolg van oorlog en handelscrisis. Lees het vooral hardop voor, dan lijkt het net Nederlands.

Den ersamen wisen borghermesteren und raedmannen der stad Dantzike, unsen leven heren und vrunden sal dusse breff. […]

Se hebben to Amstelredame grote noet van dem armoede, des so veele is, dat umme brot loept, des alle de andren stede in Holland und Zeelant gevrowet synt und danken Gode, dat hiir ymant gekomen is, de daer claghen wil, up dat se daerto helpen moeghen dat dat gherichtet werde, Got voghet to den besten.

Bron: Hanserecesse, II, deel 2, nr. 285. In druk uitgegeven in 1878, maar digitaal raadpleegbaar via de Hansischer Geschichtsverein.

(Lees ook: Hermann Niebaum, ‘Taal en communicatie in het Hanzegebied’, in: Hanno Brand e.a., Koggen, Kooplieden en kantoren, Hilversum/Groningen, 2010.)

Read Full Post »

Oostzeegebied

De z.g. Carta Marina uit 1539 van het Oostzeegebied. (Univ. of Minnesota)

De Divisiekroniek geldt als een van de laatste ‘middeleeuwse’ kronieken die een poging deden om de volledige wereldgeschiedenis en de Hollandse geschiedenis in één groot verhaal te vatten. Het boek werd samengesteld door Cornelius Aurelius (1460-1531), een geleerde monnik en humanist. Het werd gedrukt en voorzien van vele houtsneden en verscheen voorhet eerst in 1517 bij Jan Seversz in Leiden. Het boek beleefde vele drukken tot in de 19de eeuw aan toe. Meer over Cornelius Aurelius en zijn Kroniek is te vinden op de website van de Koninklijke Bibliotheek.
Bij dergelijke kronieken is het vaak niet zo belangwekkend wat ze te melden hebben over lang vervlogen perioden – die zijn meestal in ingedikte vorm overgenomen  uit andere kronieken – maar juist wat ze vertellen over recentere tijden kan heel interessant zijn.

Zo bevat de Divisiekroniek een fraai verhaal over de zogeheten ‘Wendische Oorlog’ uit 1438. Dit was een kaperoorlog tussen Hollanders en Zeeuwen enerzijds en de steden van het Wendische kwartier in tegenwoordig Noord-Duitsland anderzijds. De Wendische oorlog geldt als een historisch kantelpunt in de machtsverhoudingen tussen Holland en de Duitse Hanzesteden en het is niet verwonderlijk dat de Divisiekroniek uitgebreid aandacht besteedt aan iets dat relatief kort daarvoor gebeurd was. De middelnederlandse tekst is te vinden op de website van de KB, maar voor het gemak van de lezer heb ik een moderne vertaling gemaakt. De tekst biedt allerlei wetenswaardigheden over de oorlogvoering ter zee in de vijftiende eeuw. Ook worden enkele scheepstypen genoemd.
Het is geen lang verhaal, het omvat slechts enkele folio’s. En als de schrijver klaar is met zijn verhaal over de oorlog, vervolgt hij met de brand in Gouda, ook iets waar het Holland van 1438 danig door beroerd werd.

Titelblad  van de Divisiekroniek.

Titelblad van de eerste druk van de Divisiekroniek.
De tekst luidt:
Die Chronyk van Hollandt, Zeelandt ende Vriesland, beghinnende van Adams tyden, tot die geboerte ons Heren Jhesu, voortgaende tot den jare M CCCCC ende XVII. Met den rechten oerspronc, hoe Hollandt eerst begrepen ende bewoent is gheweest van den Troyanen. Ende is inhoudende van die hertogen van Beyeren, Henegouwen ende Bourgongen; die tijt dat si ant graefscap geweest hebben; met die cronike der biscoppen van Uutrecht, seer suverlic geextendeert ende int lange verhaelt.

Over de Wendische oorlog valt heel veel te vertellen, veel meer dan de Divisiekroniek doet en ook meer dan er in deze blogpost past. Bovendien versimpelt de schrijver van de kroniek de aanleiding van de oorlog en de wijze waarop deze uiteindelijk werd beëindigd. Wanneer we dieper in de geschiedenis en de bronnen duiken blijkt dat de oorlog juist een ingewikkelde affaire was, met vele complicerende factoren op het gebied van binnenlands bestuur en buitenlandse politiek. Ook de Hoekse en Kabeljauwse twisten komen geregeld om de hoek kijken. Maar daarover een volgende keer.

De pdf van de vertaling van Folio 288 vv uit de Divisiekroniek vind je hier.

Read Full Post »