Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Middeleeuwen’

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v-085r (Oxford).

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek plm. 1460, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v (Oxford).

Altijd als ik de naam Yolanthe voorbij zie komen in de media (en dat gebeurt best wel vaak), moet ik aan Yolanthe denken. En dan bedoel ik niet die Yolanthe, maar haar 15de-eeuwse naamgenote Yolanthe van Lalaing.

Toen hertog Filips van Bourgondië in 1433 definitief heerser over de Nederlanden was geworden, was een van de bestuurlijke vernieuwingen die hij doorvoerde het aanstellen van een stadhouder, in het Frans ‘lieu-tenant’, de plaatsvervanger (van de hertog) dus. Tot dusverre waren bestuurders altijd belangrijke edellieden geweest en dat veranderde niet. Wat wel nieuw was, was dat dergelijke hoge bestuurders door hertog Filips voor een tijdelijke periode werden benoemd, ook weer makkelijk vervangen konden worden en ze hun ambt niet konden laten overgaan op hun zoons. Het landsbestuur werd zo losgekoppeld van de oude feodale verhoudingen, één van de belangrijkste vernieuwingen die de Bourgondische hertogen hebben ingevoerd in onze landen.

In 1440 werd een voorname Henegouwse edelman, Willem van Lalaing, heer van Bugnicourt, tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. Dat was net in een periode dat de Hoekse & Kabeljauwse twisten hier weer eens flink waren opgelaaid. Holland en Zeeland waren verdeeld in een pro- en een anti-Bourgondisch kamp. De vorige stadhouder had zich veel te soft opgesteld en het was de bedoeling dat stadhouder Willem van Lalaing (1395-1475) eens stevig orde op zaken zou gaan stellen. Maar in plaats van zich boven de partijen te plaatsen, verbond Willem van Lalaing zich juist met één van beide, namelijk de Hoekse partij. Bovendien ging hij allerlei persoonlijke financiële verplichtingen aan met de voorman van die Hoekse partij, ridder Reinoud van Brederode, de heer van Vianen.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Stadhouder Willem voerde geen goed bestuur in de ogen van het hertogelijk gezag en in 1445 werd hij vervangen. Maar om zijn verplichtingen aan Reinoud van Brederode te kunnen voldoen huwelijkte hij zijn dochter Yolanthe (daar is ze dan!) aan hem uit. In Nederlandse geschriften wordt ze ook wel Yolande van Brederode genoemd, maar in de 15de-eeuwse bronnen zie je toch altijd de naam Yolanthe.

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Van deze Yolanthe is slechts één selfie bekend, namelijk de afbeelding die een boekverluchter maakte voor haar persoonlijke getijdenboek, waarin ze geknield aan de voeten van Maria is te zien. In die devote positie zag ze dan zichzelf, zo stel ik me voor, elke keer als ze haar getijdenboek open sloeg. Yolanthe van Brederode-van Lalaing bracht na de dood van Reinoud in 1473 haar laatste jaren door op kasteel Brederode bij Santpoort en overleed op 15 augustus 1497.

Bron: Anteun Janse, Vrouwenlexicon.

Literatuur: Mario Damen, De Staat van Dienst, Hilversum, 2000. (Over de Bourgondische ambtenaren in de 15de eeuw)

Advertenties

Read Full Post »

Miniatuur uit de Kroniek van Froissart (Gruuthuse handschrift). De slag bij Sluis, een slag uit de 14de eeuw, maar het handschrift dateert uit ongeveer 1460.

Miniatuur uit de Kroniek van Froissart (Gruuthuse). De slag bij Sluis, een zeeslag uit 1340, tijdens de 100-jarige oorlog, maar de illustratie in het handschrift dateert uit ongeveer 1470. (Parijs, Bibliothèque National de France)

In de veertiende en vijftiende eeuw was het paraat houden van een vaste vloot van oorlogsschepen verre van vanzelfsprekend voor de vorsten van West-Europa. Zelfs de machtigsten onder hen, de koningen van Frankrijk en Engeland, hielden er maar mondjesmaat oorlogsschepen op na en zeker niet permanent. Liever koos men er voor om schepen te huren van particuliere reders en zelfs, omdat dat een stuk goedkoper was, ook de oorlogvoering ter zee uit te besteden aan particuliere kaperkapiteins. In plaats van grote confrontaties tussen koninklijke vloten bestonden zeeoorlogen in deze periode vooral uit veel wederzijdse kaperijen. De Britse historica Susan Stone spreekt in dit verband van ‘low level naval warfare’ (Susan Stone, Medieval Naval Warfare, London, 2002). De schaal was misschien niet zo groot, maar de gevolgen voor de betrokkenen waren er niet minder om.

De Nederlanden vielen vanaf 1428 onder het gezag van Filips, hertog van Bourgondië, een machtig vorst op Europees niveau, maar niet iemand die maritieme oorlogvoering hoog op zijn lijstje had staan. Toen Holland en Zeeland in 1438 in conflict waren gekomen met enkele steden van de Duitse Hanze, volgde hertog Filips volledig de mores van zijn tijd door de strijd ter zee over te laten aan hen die er verstand van hadden. Hij gaf toestemming aan verschillende steden, Amsterdam voorop, en in persoon aan met name genoemde kaperkapiteins, om ter zee schade toe te brengen aan schepen van de Hanze en de lading in beslag te nemen. Dat gebeurde, ook al in de 15de eeuw, via zogeheten kaperbrieven. Maar deze brieven waren nog niet zo precies geformuleerd en uitgewerkt als in de 17de eeuw toen kaapvaart een veel sterker gereglementeerde vorm van ‘uitbestede’ oorlogvoering was geworden.

Wanneer je als vorst kaperbrieven uitvaardigt aan vrijgevochten kapiteins is het niet verwonderlijk dat er problemen ontstaan. Vooral als de formulering in de opdracht voor meerderlei uitleg vatbaar is. Toezicht op de gedragingen van de kapers was slechts zwak georganiseerd en het gebeurde meer dan eens dat de kapers schepen in beslag namen die niets met het conflict van doen hadden. De benadeelde partijen spanden daarop procedures aan bij het hoogste rechtscollege in Holland. Die processtukken, de zogeheten Memorialen van het Hof van Holland, zijn voor een groot deel bewaard gebleven in de archieven en het is dankzij die vele tientallen processen-verbaal, brieven en sententies (gerechtelijke uitspraken) dat we aardig geïnformeerd zijn over de gang van zaken op zee in de jaren ’30 en ’40 van de 15de eeuw.

Een van de beruchtste kapers was bijvoorbeeld Zwarte Tyman, een kapitein uit Amsterdam. Hij werd in 1438 en 1439 vele malen aangeklaagd bij het Hof. Hij  en zijn mensen hielden naar willekeur op de Noordzee langsvarende schepen aan, klommen aan boord, intimideerden de bemanning en roofden waar ze maar hun hand op konden leggen. Schepen van de Hanze, maar ook uit Rouen, uit Spanje, Engeland of Vlaanderen, niemand was veilig voor Zwarte Tyman. Hij en zijn companen lagen klaar in riviermondingen, zoals het Zwin, om schepen aan te vallen zodra die zich gereed maakten om zee te kiezen. Ook beroofde hij niet alleen elk schip dat hij maar tegenkwam, maar hij en zijn mannen werden er van beschuldigd in Vlaanderen zelfs aan land te zijn gegaan om daar schapen en koeien uit de weilanden te halen. Dat had natuurlijk weinig meer van doen met kaapvaart, maar was regelrechte piraterij geworden. Toch beriep Tyman zich er op dat hij kaper was en namens de hertog en de Raad van Holland handelde. Dat weten we omdat hij zijn antwoord via een tussenpersoon aan de raadslieden van het Hof van Holland had laten overbrengen. Zelf verkeerde hij op zee en was niet in de gelegenheid om zijn verdediging te voeren, zo liet hij weten.

Nooit heeft Zwarte Tyman gehoor gegeven aan de vele dagvaardingen om in persoon tekst en uitleg te komen geven voor het Hof. Hij keek wel uit. Uiteindelijk werd hij door het Hof van Holland in 1439 bij verstek veroordeeld tot het betalen van een grote boete en schadevergoeding aan door hem benadeelde personen. Men vaardigde zelfs een arrestatiebevel tegen hem uit, maar tevergeefs. Zwarte Tyman zat op zee. Hij was en bleef onvindbaar.

Read Full Post »

Bron: Universitätsbibliothek Heidelberg, Cod. Pal. germ. 359; Rosengarten zu Worms

Bron: Universitätsbibliothek Heidelberg, Cod. Pal. germ. 359; Rosengarten zu Worms

In de Middeleeuwen waren oorlogen minstens zo gruwelijk als nu, maar toch wel kleinschaliger, zeker waar het oorlogen in onze contreien betreft. Van massale vernietiging was absoluut geen sprake. Als men in middeleeuwse bronnen spreekt over 100.000 doden, zouden het er ook best 1000 kunnen zijn, of honderd. Misschien bedoelde men wel gewoon ‘veel’. Tussen het jaar 1000 en 1300 werden zeven veldslagen uitgevochten tussen de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht. Dorpsoorlogen, zonder meer, met veel gekrakeel, hier en daar een helm met vederdos en nog jaren napraten over hoe erg het was. Dat was het dan ook wel , waarschijnlijk.

Toen ik in de jaren ’80 Middeleeuwse geschiedenis studeerde besteedden we tijdens een werkcollege aandacht aan een veertiende-eeuws kroniekje over die strijd tussen Holland en Utrecht. Het was een klein werkje, in het Latijn, dat we nauwgezet vertaalden om zo wat meer licht op de geschiedenis te kunnen werpen. Dat kroniekje staat bekend als de Bella Campestria, ofwel ‘Veldslagen’.

Tijdens het opruimen van een kast kwam ik het werkstuk pas weer tegen. De vertaling omvat slechts een paar A4-tjes, maar wat was het leuk om die tekst weer te lezen. Omdat er op het hele internet geen enkele Nederlandse vertaling van de Bella Campestria te vinden is doe ik het maar hier. Samen met een korte inleiding over wat voor tekst het is.

Degene op wiens initiatief en onder wiens begeleiding we indertijd de studie uitvoerden en de vertaling maakten is helaas niet meer onder ons. Daarom draag ik dit blog op aan Hans van Rij, middeleeuws historicus en kenner van middeleeuwse Latijnse bronnen over Nederlandse geschiedenis.

DOWNLOAD PDF

Bella Campestria – De strijd tussen de de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland. (337 Kb)

Read Full Post »

Met dank aan de Vikingen, N.D. de Mont-devant-Sassey (Meuse)

De geschiedenis ligt op straat. En voor je neus. En soms kom je op zo’n plek, meestal tijdens vakanties, die niet alleen adembenemend is om te zien, maar ook doordesemd is van geschiedenis. Je ondergaat een historische sensatie.

Neem nu het kerkje de Notre-Dame de Mont-devant-Sassey. Het ligt aangeschurkt tegen een heuvel in Frans Lotharingen, met uitzicht op het Maasdal, halverwege tussen Verdun en Sedan. Gedurende eeuwen en eeuwen (en niet alleen tijdens de Eerste Wereldoorlog) zijn horden soldaten er langs getrokken, ze moeten het hebben zien liggen en zeker, het is meer dan eens geplunderd en beschadigd.

Aan het ontstaan van de kerk zit een verhaal vast dat ons nog dieper de geschiedenis in voert, tot in de duistere 7de eeuw. Het begon in het jaar 682 in Andenne, dat nu in België ligt. Begga, de zuster van de befaamde Gertrudis van Nijvel, afkomstig uit een voornaam Frankisch geslacht en de directe voormoeder van keizer Karel de Grote, stichtte daar een klooster. Begga, tevens de moeder van Pepijn van Herstal, werd later heilig verklaard, wat de familie van Karel de Grote natuurlijk veel aanzien gaf, maar dat terzijde.

Het klooster in Andenne floreerde gedurende enkele eeuwen, tot het jaar 883 toen groepen Vikingen ver de Maas opvoeren en vele kerken en kloosters, waaronder dat in Andenne, brandschatten en plunderden. In de 150 jaar die volgde viel het klooster vele malen ten prooi aan krijgsgeweld en uiteindelijk totale verwoesting. De 9de en 10de eeuw waren een gevaarlijke tijd, met in deze streken een minimum aan overheidsgezag. Hooguit wist een lokale heerser soms wat effectief gezag uit te oefenen. In het jaar 1059 ten slotte vluchtten de laatste nonnen zuidwaarts naar Lotharingen. Op een beschutte plek in het Maasdal, op een heuvel bij het plaatsje Sassey nabij Stenay, waar ze (blijkbaar) veilig waren, stichtten ze een kleine kapel. Deze kapel werd in 1127 omgedoopt in de kerk van Notre-Dame, die dus voortaan de Notre-Dame de Mont-devant-Sassey werd genoemd.

De crypte

In de eeuwen die volgden trokken de legers voorbij en ook woedde er meer dan eens brand. Maar desondanks staat de kerk nog overeind. Wat je nu kunt zien dateert nog deels uit het begin van de 12de eeuw. En ook al zijn de vele restauraties goed waarneembaar, het blijft een prachtig voorbeeld van Romaanse architectuur. Het beeldhouwwerk van het portaal is bewaard gebleven en ook de crypte is nog intact. De kerk is nog volop in gebruik als christelijk gebedshuis en ook worden er muziekuitvoeringen en culturele manifestaties gehouden. Wie zuidwaarts door het Maasdal rijdt komt er vanzelf langs. >>Meer op de website van Mont-devant-Sassey.

Beelden in het portaal. Van links naar rechts: Eva, Adam (met een soort wildebeestenvellen om), daarnaast Mozes, Abraham met de kleine Izaäk en Noach.

Het timpaan boven de hoofdingang verhaalt het vroege leven van Christus: geboorte (Maria ligt onderin onder een rode deken), aanbidding door de Koningen, os & ezel en de herders. Linksboven de kindermoord in Betlehem. De polychromie is deels bewaard gebleven.

Read Full Post »

Veel historici hebben een lievelingseeuw, een tijdperk dat ze het liefst bestuderen, waar ze het meest van weten en waar ze zich het meest druk over maken. Voor mij is dat de vijftiende eeuw.

De Grafelijke vispartij, een schitterende afbeelding uit de vroege 15de eeuw: twee groepen edelen met hengels aan weerszijden van een beekje. In het midden rechts zien we waarschijnlijk Jan van Beieren. Staat links Jacoba van Beieren? Waar slaan die hengels op en waar wordt naar gevist? Een mysterieuze tekening uit plm. 1420, waarschijnlijk vervaardigd door Jan van Eyck. (Louvre, Parijs)

Ik moet er meteen bij zeggen: de vijftiende eeuw in Noordwest-Europa, want de ene vijftiende eeuw is de andere niet. Natuurlijk zijn er zoveel intereressante perioden en tijdperken en wie zich eenmaal in een periode verdiept kan daar helemaal verslingerd aan raken, of het nu de Griekse oudheid is of 19de-eeuws Engeland. Zelf heb ik ik me, vanwege mijn werk, lange tijd bezig gehouden met de Nederlandse Gouden Eeuw. Geweldige tijd, mooie schilderijen, fantastische schepen, flamboyante kleding, boeiend in alle opzichten. Ik stel me zo voor dat elke historicus wel een favoriete tijd heeft, uit persoonlijke interesse, of omdat hij of zij er bij toeval in rolde, of allebei. Voor mij gold dat ik er bij toeval in rolde, in die zeventiende eeuw dus. Hoe dat kwam doet er nu even niet toe. Terwijl ik mij in de jaren daarvoor, in mijn studietijd, eigenlijk bezig was te specialiseren in juist de vijftiende eeuw,  het tijdvak van wat we maar de Bourgondische Nederlanden zullen noemen, want daar lag mijn hart.

Het leuke van de vijftiende eeuw is dat die een heleboel niet meer is, of juist nog niet. Het is eigenlijk niet meer echt de Middeleeuwen, maar in veel opzichten toch zeker wel. We kunnen hem ook niet ‘modern’ noemen, maar in sommige opzichten toch ook wel. Het is nog niet de Renaissance, tenminste niet in de Nederlanden, maar in Italië juist weer wel. Hij lijkt soms dichtbij, maar als je dan soms dingen leest, lijkt het qua mentaliteit toch ook weer een andere planeet te zijn. Oudere vormen bestaan er naast nieuwe, boogschutters naast buskruit, gedrukte boeken naast manuscripten, ridders naast kapitalisten, burchten naast burgers. Het lijkt alsof de geschiedenis nog niet echt een keuze heeft gemaakt, alsof het nog alle kanten op kan.

Wat ook bijzonder is, is het feit dat we uit de vijftiende eeuw zo veel méér materiaal hebben overgeleverd gekregen dan in de eeuwen daarvoor. Deze tijd laat zich dus heel goed bestuderen, maar anderzijds kom je ook bepaald niet zodanig om in het bronnenmateriaal dat je ‘alles’ te weten kunt komen. Hij blijft mysterieus, die eeuw.

Met mijn belangstelling voor de vijftiende eeuw bevind ik me overigens in illuster gezelschap. Het Herfsttij der Middeleeuwen, zoals Johan Huizinga dat in 1919 al zo geweldig beschreef, had zijn interesse, omdat hij gefascineerd was door de vormentaal van de Late Middeleeuwen. Hij wilde de schilderijen van Van Eyck begrijpen, hij wilde weten wat hij zag op die afbeeldingen. Dat soort verwondering ligt ten grondslag aan elk historisch onderzoek. Huizinga veronderstelde overigens dat hij een culturele eenheid op het spoor zou komen, maar kwam er al tijdens zijn onderzoek achter dat die eenheid er maar in weinig opzichten was. Door zijn onderzoek raakte hij zijn vooroordelen kwijt en hij had de durf om dat onder ogen te zien en het over iets anders te gaan hebben. Daardoor drong hij dieper door in een historische werkelijkheid dan hij misschien eerder gedacht had.

Tegelijk besef je telkens weer dat de vragen die je stelt je zijn ingegeven door je eigen tijd en ruimte. Ook mijn vijftiende eeuw is weer een andere dan die van Huizinga.

Read Full Post »