Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Holland’

Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

Advertenties

Read Full Post »

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.

Read Full Post »

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v-085r (Oxford).

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek plm. 1460, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v (Oxford).

Altijd als ik de naam Yolanthe voorbij zie komen in de media (en dat gebeurt best wel vaak), moet ik aan Yolanthe denken. En dan bedoel ik niet die Yolanthe, maar haar 15de-eeuwse naamgenote Yolanthe van Lalaing.

Toen hertog Filips van Bourgondië in 1433 definitief heerser over de Nederlanden was geworden, was een van de bestuurlijke vernieuwingen die hij doorvoerde het aanstellen van een stadhouder, in het Frans ‘lieu-tenant’, de plaatsvervanger (van de hertog) dus. Tot dusverre waren bestuurders altijd belangrijke edellieden geweest en dat veranderde niet. Wat wel nieuw was, was dat dergelijke hoge bestuurders door hertog Filips voor een tijdelijke periode werden benoemd, ook weer makkelijk vervangen konden worden en ze hun ambt niet konden laten overgaan op hun zoons. Het landsbestuur werd zo losgekoppeld van de oude feodale verhoudingen, één van de belangrijkste vernieuwingen die de Bourgondische hertogen hebben ingevoerd in onze landen.

In 1440 werd een voorname Henegouwse edelman, Willem van Lalaing, heer van Bugnicourt, tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. Dat was net in een periode dat de Hoekse & Kabeljauwse twisten hier weer eens flink waren opgelaaid. Holland en Zeeland waren verdeeld in een pro- en een anti-Bourgondisch kamp. De vorige stadhouder had zich veel te soft opgesteld en het was de bedoeling dat stadhouder Willem van Lalaing (1395-1475) eens stevig orde op zaken zou gaan stellen. Maar in plaats van zich boven de partijen te plaatsen, verbond Willem van Lalaing zich juist met één van beide, namelijk de Hoekse partij. Bovendien ging hij allerlei persoonlijke financiële verplichtingen aan met de voorman van die Hoekse partij, ridder Reinoud van Brederode, de heer van Vianen.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Stadhouder Willem voerde geen goed bestuur in de ogen van het hertogelijk gezag en in 1445 werd hij vervangen. Maar om zijn verplichtingen aan Reinoud van Brederode te kunnen voldoen huwelijkte hij zijn dochter Yolanthe (daar is ze dan!) aan hem uit. In Nederlandse geschriften wordt ze ook wel Yolande van Brederode genoemd, maar in de 15de-eeuwse bronnen zie je toch altijd de naam Yolanthe.

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Van deze Yolanthe is slechts één selfie bekend, namelijk de afbeelding die een boekverluchter maakte voor haar persoonlijke getijdenboek, waarin ze geknield aan de voeten van Maria is te zien. In die devote positie zag ze dan zichzelf, zo stel ik me voor, elke keer als ze haar getijdenboek open sloeg. Yolanthe van Brederode-van Lalaing bracht na de dood van Reinoud in 1473 haar laatste jaren door op kasteel Brederode bij Santpoort en overleed op 15 augustus 1497.

Bron: Anteun Janse, Vrouwenlexicon.

Literatuur: Mario Damen, De Staat van Dienst, Hilversum, 2000. (Over de Bourgondische ambtenaren in de 15de eeuw)

Read Full Post »

Titelblad van het beroemde Zeerecht van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg.)

Titelblad van het beroemde Zeerecht (‘waterrecht’) van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg)

Een van de aardigste aspecten van het doen van onderzoek naar de periode van de Duitse Hanze (plm. 1300-1500) is de taal. Een groot deel van het bronnenmateriaal is geschreven in het Middel-nederduits, de taal die in de late Middeleeuwen vooral werd gesproken en geschreven in Noord-Duitsland, zeg maar de omgeving van Hamburg en Lübeck, maar zich gaandeweg had ontwikkeld tot een lingua franca in het hele gebied waar kooplieden van de Hanze actief waren. Dat had tot gevolg dat een koopman uit, bijvoorbeeld, Brugge zich moeiteloos kon verstaan met een collega uit Danzig (Gdánsk), Riga of zelfs het verre Nowgorod.
Omdat het Nederduits niet heel erg veel verschilt van de taal die in Holland werd gesproken, konden de Hollanders wat de communicatie betreft van meet af aan meedraaien in het internationale handelsverkeer.

Ter illustratie een stukje Nederduits uit een rapport van 8 december 1438. Pruisische ambassadeurs berichten aan hun thuisbasis, de burgemeesters en raadslieden van Danzig, over de nijpende armoede in Amsterdam als gevolg van oorlog en handelscrisis. Lees het vooral hardop voor, dan lijkt het net Nederlands.

Den ersamen wisen borghermesteren und raedmannen der stad Dantzike, unsen leven heren und vrunden sal dusse breff. […]

Se hebben to Amstelredame grote noet van dem armoede, des so veele is, dat umme brot loept, des alle de andren stede in Holland und Zeelant gevrowet synt und danken Gode, dat hiir ymant gekomen is, de daer claghen wil, up dat se daerto helpen moeghen dat dat gherichtet werde, Got voghet to den besten.

Bron: Hanserecesse, II, deel 2, nr. 285. In druk uitgegeven in 1878, maar digitaal raadpleegbaar via de Hansischer Geschichtsverein.

(Lees ook: Hermann Niebaum, ‘Taal en communicatie in het Hanzegebied’, in: Hanno Brand e.a., Koggen, Kooplieden en kantoren, Hilversum/Groningen, 2010.)

Read Full Post »

Graaf Willem IV en zijn zuster Margaretha van Beieren, 'die keizerinne', want ze was gehuwd met de Duitse keizer Lodewijk. Zij nam in 1345 de macht in Holland van haar broer over.

Graaf Willem IV en zijn zuster Margaretha van Beieren, ‘die keiserinne’, want ze was gehuwd met de Duitse keizer Lodewijk. Zij nam in 1345 de macht in Holland van haar broer over. Houtsnede van Jacob Cornelisz van Oostzanen uit 1518. (Rijksmuseum)

In het midden van de veertiende eeuw ontstond er tweedracht in het oude graafschap Holland rondom de opvolging van de in 1345 kinderloos gestorven graaf Willem IV. Aan de ene kant was er een groep edelen die de oude feodale verhoudingen, waar zij belang bij hadden, wilden behouden en voortzetten; aan de andere kant stond een groep edelen, vergezeld door enkele steden, die een stabiel grafelijk gezag en behartiging van hún belangen belangrijker vonden.
Deze tegenstelling leidde uiteindelijk tot een burgeroorlog die we de Hoekse en Kabeljauwse twisten noemen. De partijstrijd duurde meer dan 100 jaar, in wisselende samenstellingen en ging telkens over in volgende kwesties.

Vanaf het tweede kwart van de zestiende eeuw werd de tegenstelling tussen katholieken en protestanten dominant en het is een verleidelijke gedachte om daar een voortzetting in te zien van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, over andere kwesties, maar langs dezelfde lijnen en wellicht binnen dezelfde families.

(Lees ook: Ronald de Graaf, Oorlog om Holland, 1000-1375, Hilversum, 2004)

Read Full Post »

Bron: Universitätsbibliothek Heidelberg, Cod. Pal. germ. 359; Rosengarten zu Worms

Bron: Universitätsbibliothek Heidelberg, Cod. Pal. germ. 359; Rosengarten zu Worms

In de Middeleeuwen waren oorlogen minstens zo gruwelijk als nu, maar toch wel kleinschaliger, zeker waar het oorlogen in onze contreien betreft. Van massale vernietiging was absoluut geen sprake. Als men in middeleeuwse bronnen spreekt over 100.000 doden, zouden het er ook best 1000 kunnen zijn, of honderd. Misschien bedoelde men wel gewoon ‘veel’. Tussen het jaar 1000 en 1300 werden zeven veldslagen uitgevochten tussen de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht. Dorpsoorlogen, zonder meer, met veel gekrakeel, hier en daar een helm met vederdos en nog jaren napraten over hoe erg het was. Dat was het dan ook wel , waarschijnlijk.

Toen ik in de jaren ’80 Middeleeuwse geschiedenis studeerde besteedden we tijdens een werkcollege aandacht aan een veertiende-eeuws kroniekje over die strijd tussen Holland en Utrecht. Het was een klein werkje, in het Latijn, dat we nauwgezet vertaalden om zo wat meer licht op de geschiedenis te kunnen werpen. Dat kroniekje staat bekend als de Bella Campestria, ofwel ‘Veldslagen’.

Tijdens het opruimen van een kast kwam ik het werkstuk pas weer tegen. De vertaling omvat slechts een paar A4-tjes, maar wat was het leuk om die tekst weer te lezen. Omdat er op het hele internet geen enkele Nederlandse vertaling van de Bella Campestria te vinden is doe ik het maar hier. Samen met een korte inleiding over wat voor tekst het is.

Degene op wiens initiatief en onder wiens begeleiding we indertijd de studie uitvoerden en de vertaling maakten is helaas niet meer onder ons. Daarom draag ik dit blog op aan Hans van Rij, middeleeuws historicus en kenner van middeleeuwse Latijnse bronnen over Nederlandse geschiedenis.

DOWNLOAD PDF

Bella Campestria – De strijd tussen de de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland. (337 Kb)

Read Full Post »

Older Posts »