Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Hanze’

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

De Hanzedagzaal, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

De Hanzedagzaal in het Museum, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

Tijdens een tripje dat ik vorige maand maakte langs een aantal Duitse Hanzesteden – waarover later wellicht nog eens meer – kwam ik natuurlijk ook in Lübeck. Op 27 mei 2015 is daar het gloednieuwe Europäisches Hansemuseum geopend. Daar moest ik uiteraard heen. Ik ben er drie uur gebleven en dit zijn mijn bevindingen.

Het museum bevindt zich op een schitterende locatie in een middeleeuws Dominicanenklooster, het Burgkloster, waar nieuwe gedeelten aan zijn toegevoegd die zich voor een belangrijk deel onder de grond bevinden. Je komt binnen en koopt een entreebewijs waar een elektronische tag in is verwerkt. Dan daal je af met een lift en betreed je een donkere ruimte waar een kronkelend gangpad je nog wat verder omlaag brengt. Zware geluiden dreunen rond en hier en daar wordt een voorwerp aangelicht in het halfduister. Twee flinke, oud uitziende zeilschepen, zwakjes verlicht, hun zeilen langzaam bewegend in een luchtstroom, trekken de aandacht. De boodschap is meteen duidelijk: je bent hier niet in zomaar een Hanzemuseum, waar braaf aan de hand van objecten een historisch verhaal wordt verteld. Je bent binnengekomen in wat niets minder dan een echte Hanze-Experience belooft te worden!

Die eerste donkere zaal verbeeldt Nowgorod, de handel op Rusland en de erfenis van de Vikingen en Gotlanders. Hoe die in de 11de en 12de eeuw de kusten van de Oostzee verkenden en er handel begonnen te drijven. Het oerbegin van de Hanze. De wanden van de ruimte worden in beslag genomen door lichtgevende infopanelen. Je activeert die met je entreebewijs en alles wordt in het Duits, Engels, Zweeds of Russisch aan je voorgeschoteld. Die panelen en schermen bevatten veel informatie in de vorm van tekst, beeld, filmpjes en graphics. Zoveel zelfs dat een belangrijk deel van de bezoekers geruime tijd in die eerste zaal blijft hangen om alles goed te kunnen lezen en bekijken.
Het Museum is ingericht als een afwisselende opeenvolging van donkere en helder verlichte ruimten, ik telde er veertien, waar het verhaal van de Hanze wordt verteld aan de hand van de vier ‘Kontore’ van de Hanze en vier tijdmarkeringen: Nowgorod 1150, Lübeck 1226, Brugge 1361 en Londen 1500. Helemaal tot slot volgen dan nog Bergen in de 17de eeuw en het einde van de Hanze. De ruimtes kennen een vaste volgorde, je kunt wel teruglopen, maar dan loop je tegen de bezoekersstroom in.

Men heeft een balans proberen te vinden tussen zalen die vooral op evocatie en beleving zijn gericht (de donkere, met licht- en geluidseffecten) en de lichte zalen die zich meer concentreren op uitleg aan de hand van objecten in vitrines. Die belevingszalen gaan bijvoorbeeld over handel en tonen dan een overvloed van stoffen en andere handelswaar; over de bouw van middeleeuwse steden zoals Lübeck; over de Pest van 1348 (opgezette-ratten-alert!) of over hoe een Hanzedag nu precies plaatsvond. De vitrine-zalen bevatten onder meer keizerlijke oorkonden met privileges, een paar scheepsmodellen en het kasboek van een Hanze-handelaar. Let wel, originele objecten en oorkonden zijn er nauwelijks in het Museum, het gaat in de meeste gevallen om replica’s en modellen. Daarom is de term Museum ietwat misleidend, beleving van het verhaal met moderne middelen staat voorop en niet het tonen van voorwerpen uit een collectie. Wie originelen wil zien zal zich elders moeten vervoegen, maar het Hansemuseum is werkelijk de Hanze Experience.

Overigens is er met de wijze van informatievoorziening in het museum niets mis. Maar het is wel erg veel. Zelden ben ik in een museum geweest waar men zich zo intensief bekommert om volledige informatie-overdracht. Geen slappe verhaaltjes, of versimpelingen, wie het Europäisches Hansemuseum bezoekt wordt gründlich doordrenkt met informatie. Dat betekent dat je na de tiende zaal wel wat van je aandachtsscherpte gaat verliezen. Gelukkig is er dan die ruimte waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld. De agenda wordt groot geprojecteerd, met aandacht voor alle wezenlijke discussies, maar ook voor de procedurele flauwiteiten tussen de steden onderling. Dan volgt nog een zaal die gewijd is aan religie en je jezelf plots in de schemer terugvindt tussen wassen beelden van priesters en monniken die er griezelig realistisch bijstaan. Maar daar blijft het dan wel bij qua humor. Het Museum is dan wel een Experience, maar kent een serieuze instelling waar weinig plaats is voor luchtig vermaak.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Als je de eerste veertien zalen bent gepasseerd heb je deel 1 van het Museum gehad. Daarna is er nog deel 2. Dit deel bevindt zich in een ander stuk van het Burgkloster, waarvoor je weer naar buiten moet. Niet zo handig, maar het kon blijkbaar niet anders. Eerst kom je in een ruimte die de Finale heet en mij enigszins verbijsterde door zijn stijlbreuk met al het voorgaande. Popmuziek, ‘Changes‘ van David Bowie, schalt er keihard door de ruimte, waar vier enorme poppen staan opgesteld die vier Hanzekooplieden voorstellen. ‘Changes’, vanwege de veranderde verhoudingen in Europa na 1600, de Atlantische handel, de handel op Azië.
‘Ch-ch-ch-changes’, het einde van de Hanze. Toen ik de dienstdoende mevrouw vroeg naar het hoe en waarom, gaf ze enigszins besmuikt te kennen dat zij het ook niet helemaal begreep en dat er nog wat nadere uitleg nodig zal zijn. ‘Het is ook allemaal wat nieuw, ziet u, het is nog niet af’.

Het laatste onderdeel van het Hansemuseum heet het Hanselab. Hier bevindt zich het Hanze-onderzoeks- en documentatiecentrum in oprichting, met een conferentiezaal en kleine exposities over bepaalde aspecten van de Hanze. Ook is daar aandacht voor archeologie en voor het Nachleben, zoals het gebruik van de Hanze als merk, voor kapsalons tot rederijen, tot voetbalclubs tot sigaretten. Dit Hanselab is naar mijn idee een interessant onderdeel en hopelijk gaat het een belangrijke rol spelen in het bijeen brengen van wetenschappelijk onderzoek en publieke belangstelling.

Het was een enerverend bezoek waarmee ik vele uren zoet was. Maar vond ik het nou een goed museum? Ondanks het bombardement aan informatie miste ik nogal wat. De hele vijftiende eeuw kwam niet aan bod, en de verhouding met de Hollandse steden bleef ook zwaar onderbelicht, wat voor iemand die zich uitgerekend met de verhouding tussen de Hanze en Holland in de vijftiende eeuw bezighoudt nogal teleurstellend is. Schepen en scheepsarcheologie spelen jammer genoeg ook geen grote rol. Het gebruik van een tag om infopanelen en dergelijke te activeren wekt bij mij wel eens wat tegenzin op, maar dat is een persoonlijke voorkeur en, toegegeven, het werkte wel goed. De Finale is echt een stijlbreuk en oogt bovendien nogal potsierlijk. Maar het restaurant is uitstekend, met een mooi terras en uitzicht over de stad en de haven. Ten slotte is het Europäisches Hansemuseum in Lübeck het enige museum ter wereld waar het complete verhaal van de Hanze met moderne middelen aan een breed publiek wordt verteld. En dat doet de balans uiteindelijk wel positief uitslaan. Ga er dus vooral heen als je in Lübeck bent, sowieso een prachtige stad, ook voor wie niet speciaal in de Hanze is geïnteresseerd.

Europäisches Hansemuseum Lübeck

www.hansemuseum.eu

Read Full Post »

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Read Full Post »

Titelblad van het beroemde Zeerecht van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg.)

Titelblad van het beroemde Zeerecht (‘waterrecht’) van Visby, dat in diverse talen verscheen, waaronder deze uit 1537 in het Middel-nederduits. (Wirtschaftsarchiv Handelskammer Hamburg)

Een van de aardigste aspecten van het doen van onderzoek naar de periode van de Duitse Hanze (plm. 1300-1500) is de taal. Een groot deel van het bronnenmateriaal is geschreven in het Middel-nederduits, de taal die in de late Middeleeuwen vooral werd gesproken en geschreven in Noord-Duitsland, zeg maar de omgeving van Hamburg en Lübeck, maar zich gaandeweg had ontwikkeld tot een lingua franca in het hele gebied waar kooplieden van de Hanze actief waren. Dat had tot gevolg dat een koopman uit, bijvoorbeeld, Brugge zich moeiteloos kon verstaan met een collega uit Danzig (Gdánsk), Riga of zelfs het verre Nowgorod.
Omdat het Nederduits niet heel erg veel verschilt van de taal die in Holland werd gesproken, konden de Hollanders wat de communicatie betreft van meet af aan meedraaien in het internationale handelsverkeer.

Ter illustratie een stukje Nederduits uit een rapport van 8 december 1438. Pruisische ambassadeurs berichten aan hun thuisbasis, de burgemeesters en raadslieden van Danzig, over de nijpende armoede in Amsterdam als gevolg van oorlog en handelscrisis. Lees het vooral hardop voor, dan lijkt het net Nederlands.

Den ersamen wisen borghermesteren und raedmannen der stad Dantzike, unsen leven heren und vrunden sal dusse breff. […]

Se hebben to Amstelredame grote noet van dem armoede, des so veele is, dat umme brot loept, des alle de andren stede in Holland und Zeelant gevrowet synt und danken Gode, dat hiir ymant gekomen is, de daer claghen wil, up dat se daerto helpen moeghen dat dat gherichtet werde, Got voghet to den besten.

Bron: Hanserecesse, II, deel 2, nr. 285. In druk uitgegeven in 1878, maar digitaal raadpleegbaar via de Hansischer Geschichtsverein.

(Lees ook: Hermann Niebaum, ‘Taal en communicatie in het Hanzegebied’, in: Hanno Brand e.a., Koggen, Kooplieden en kantoren, Hilversum/Groningen, 2010.)

Read Full Post »

Oostzeegebied

De z.g. Carta Marina uit 1539 van het Oostzeegebied. (Univ. of Minnesota)

De Divisiekroniek geldt als een van de laatste ‘middeleeuwse’ kronieken die een poging deden om de volledige wereldgeschiedenis en de Hollandse geschiedenis in één groot verhaal te vatten. Het boek werd samengesteld door Cornelius Aurelius (1460-1531), een geleerde monnik en humanist. Het werd gedrukt en voorzien van vele houtsneden en verscheen voorhet eerst in 1517 bij Jan Seversz in Leiden. Het boek beleefde vele drukken tot in de 19de eeuw aan toe. Meer over Cornelius Aurelius en zijn Kroniek is te vinden op de website van de Koninklijke Bibliotheek.
Bij dergelijke kronieken is het vaak niet zo belangwekkend wat ze te melden hebben over lang vervlogen perioden – die zijn meestal in ingedikte vorm overgenomen  uit andere kronieken – maar juist wat ze vertellen over recentere tijden kan heel interessant zijn.

Zo bevat de Divisiekroniek een fraai verhaal over de zogeheten ‘Wendische Oorlog’ uit 1438. Dit was een kaperoorlog tussen Hollanders en Zeeuwen enerzijds en de steden van het Wendische kwartier in tegenwoordig Noord-Duitsland anderzijds. De Wendische oorlog geldt als een historisch kantelpunt in de machtsverhoudingen tussen Holland en de Duitse Hanzesteden en het is niet verwonderlijk dat de Divisiekroniek uitgebreid aandacht besteedt aan iets dat relatief kort daarvoor gebeurd was. De middelnederlandse tekst is te vinden op de website van de KB, maar voor het gemak van de lezer heb ik een moderne vertaling gemaakt. De tekst biedt allerlei wetenswaardigheden over de oorlogvoering ter zee in de vijftiende eeuw. Ook worden enkele scheepstypen genoemd.
Het is geen lang verhaal, het omvat slechts enkele folio’s. En als de schrijver klaar is met zijn verhaal over de oorlog, vervolgt hij met de brand in Gouda, ook iets waar het Holland van 1438 danig door beroerd werd.

Titelblad  van de Divisiekroniek.

Titelblad van de eerste druk van de Divisiekroniek.
De tekst luidt:
Die Chronyk van Hollandt, Zeelandt ende Vriesland, beghinnende van Adams tyden, tot die geboerte ons Heren Jhesu, voortgaende tot den jare M CCCCC ende XVII. Met den rechten oerspronc, hoe Hollandt eerst begrepen ende bewoent is gheweest van den Troyanen. Ende is inhoudende van die hertogen van Beyeren, Henegouwen ende Bourgongen; die tijt dat si ant graefscap geweest hebben; met die cronike der biscoppen van Uutrecht, seer suverlic geextendeert ende int lange verhaelt.

Over de Wendische oorlog valt heel veel te vertellen, veel meer dan de Divisiekroniek doet en ook meer dan er in deze blogpost past. Bovendien versimpelt de schrijver van de kroniek de aanleiding van de oorlog en de wijze waarop deze uiteindelijk werd beëindigd. Wanneer we dieper in de geschiedenis en de bronnen duiken blijkt dat de oorlog juist een ingewikkelde affaire was, met vele complicerende factoren op het gebied van binnenlands bestuur en buitenlandse politiek. Ook de Hoekse en Kabeljauwse twisten komen geregeld om de hoek kijken. Maar daarover een volgende keer.

De pdf van de vertaling van Folio 288 vv uit de Divisiekroniek vind je hier.

Read Full Post »