Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘amsterdam’

SintAnnenbordTussen 1983 en 1993 woonde ik in de Sint Annenstraat in Amsterdam, een smal straatje tussen de Warmoesstraat en de Oude Zijdsvoorburgwal, in het hart van de Wallen. De Sint Annenstraat maakt deel uit van het Blaauwlakenblok, dit blok omvatte veel verkrotte panden die eind jaren ’70 waren opgekocht door de Bijenkorf met de bedoeling de panden te slopen en er een hoofdkantoor en een parkeergarage te bouwen. Een groep kunstenaars kraakte de panden, knapte ze op en richtte er ateliers en expositieruimtes in (het tegenwoordige W139 is daar nog de erfgenaam van). Zij werden later gesteund door het Amsterdamse gemeentebestuur, onder aanvoering van Jan Schaefer. Toen ik mijn slooppandje in gebruik nam in 1983 waren de gesprekken al vergevorderd en kort daarop werden we allemaal gelegaliseerd.

In deze tijd waren de Amsterdamse Wallen best een ruig gebied. Mijn donkere straatje bevatte minstens 10 bordelen en een sexbioscoop. Er was heel veel drugshandel en -overlast en meer dan eens heb ik agenten met getrokken pistolen iemand zien achtervolgen door de straat. Zelf ben ik ook eens pal voor mijn eigen deur beroofd. Elke vrijdagavond zong het Leger des Heils op de hoek met de Sint Annendwarsstraat geestelijke liederen. Zwervers en alcoholisten konden zich aansluiten en kregen daarna soep in het opvangcentrum aan de gracht. Hun gezang vermengde zich met de hijg- en kreungeluiden uit de bioscoop, als men de deur daar soms openzette. Mijn buurvouw Joke, een ‘prostituee in ruste’ hing vaak uit het raam om voorbijgangers te becommentariëren en wildplassers de huid vol te schelden. Zo ging dat in die tijd. Toeristen waren er ook toen al veel. Dicht bijeen liepen ze dan in een groepje schichtig giechelend achter een gids aan, angstvallig hun tas of camera aan de borst vastklemmend.

Sint Annen1983

De Sint Annenstraat in 1983, gezien in de richting van de Warmoesstraat. Het gestutte pand, nr 28, was mijn huis. Ik woonde op de 1ste en 2de verdieping.

Omdat de belofte van renovatie wel erg lang op zich liet wachten en ik ook andere plannen had en was gaan samenwonen verliet ik in 1993 de Sint Annenstraat voor een mooie, lichte flat op het KNSM-eiland. Nog weer later ging ik zelfs Amsterdam helemaal uit. Af en toe ging ik nog eens kijken en zowaar, rond 2010 was de renovatie goed op gang gekomen. De afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in het gebied. De panden, waaronder de oudste stenen huizen van Amsterdam uit de vroege 16de eeuw, staan er tegenwoordig schitterend bij.

En dit jaar ging het opeens hard. Ik telde onlangs één hippe koffiezaak, een kunstkaartenwinkel, een giftshop met petjes en sjaaltjes, een vintagespulletjeswinkeltje en een soort kaasboetiek. In wat eerst een garage was zaten nu jonge mensen tussen witte muren naar beeldschermen te kijken. Op de hoek met de Warmoesstraat is nieuwbouw gepleegd en daar zit nu ‘De Bakkerswinkel’ in. Drugshotels zijn dicht en het aantal bordelen is teruggebracht tot twee. De bioscoop is al lang geleden gesloten. De Sint Annenstraat is echt een keurige buurt geworden, al zullen sommigen de manier waarop tot de ‘vertrutting’ rekenen. Toeristen komen er graag en nu meer dan ooit, maar of het Leger des Heils er nog elke vrijdagavond psalmen zingt waag ik te betwijfelen.

 

Sint Annen2017

De Sint Annenstraat in oktober 2017. Keurig gedaan, misschien vertrut, maar schoon en veilig. Nr 28 staat weer recht overeind, zonder stutten. Dat wilden we toch?

Advertenties

Read Full Post »

Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

Read Full Post »

Gezicht op Den Haag, door Jan van Goyen, 1650. (Haags Historisch Museum)

Dat Amsterdam de hoofdstad van ons land wordt genoemd, is te danken aan een speling van de geschiedenis. Na de Napoleontische oorlogen en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden werd aan de belangrijke handelsstad Amsterdam de eer van hoofdstad gegund. In naam althans, want Koning Willem I ging in 1815 zijn regering natuurlijk niet in Amsterdam vestigen. Hij keek wel uit.

Waarom Amsterdam eigenlijk de hoofdstad van Nederland heet, snap ik nog steeds niet goed. En als buitenlanders er naar vragen kan ik dat ook niet goed uitleggen. Want wat houdt ‘hoofdstad zijn’ eigenlijk in? De Koningin woont in Den Haag, de regering zit in Den Haag, het parlement, de ministeries. Den Haag is het politieke centrum van ons land en dat is het, een beetje kort door de bocht gezegd, al sinds de dertiende eeuw. Als een politicus, een Amsterdamse wethouder bijvoorbeeld, tot de landsregering wordt geroepen, heet het dat hij naar Den Haag wordt gehaald. Als een ruwe bolster die nu eindelijk beschaving ontvangt waardoor zijn talenten tot wasdom zullen komen.

Den Haag in 2012. (Foto Hans de Wildt)

Het huidige Den Haag ontstond ongeveer gelijk met Amsterdam, laten we zeggen in het tweede kwart van de dertiende eeuw. Amsterdam als nederzetting van boeren, vissers en handelslui aan de modderige oevers van de Amstel en het Y, Den Haag als jachtslot en buitenverblijf van de graven van Holland en gaandeweg als hun vaste residentie. Losbandige vrijbuiters in het Noorden, gezagsgetrouwe elite in het Zuiden; handelaren aan de Amstel, bestuurders aan het Binnenhof. Die tegenstelling is tot op de dag van vandaag actueel.

De (pre)historische wortels van Den Haag reiken echter veel verder, tot in de Steentijd aan toe. De strandwallen in de Haagse regio worden al sinds 4000 v.Chr. continu bewoond, weliswaar met een dipje tussen het jaar 300 en 600, maar toch. De Romeinen bouwden er in de 2de eeuw zelfs een belangrijke regionale hoofdstad, Forum Hadriani, gelegen ter plaatse van het Park Arentsburg in Voorburg. De autochtonen aldaar behoorden tot de Germaanse (of misschien Gallische) stam der Cananefaten. Of zij er al woonden toen de Romeinen hier kwamen, of dat ze door de Romeinen naar Den Haag werden gehaald om de rijksgrens en de kust te bewaken is archeologisch nog niet helemaal duidelijk.

Read Full Post »

Begin jaren ’80 was ik jong en woonde ik in het centrum van Amsterdam. Ik had allerlei kunstenaarsvrienden en hield me wat bezig met fotografie. Ik vond mezelf uiteindelijk niet zo’n goede fotograaf en ben daarom na een paar jaar wat anders gaan doen. De vele zwartwit-negatieven – netjes opgeborgen in negatief-albums – verdwenen in dozen en gingen trouw met elke verhuizing mee. Veel van die negatieven heb ik nooit afgedrukt, omdat ik dat niet de moeite waard vond, of omdat ze niet aan mijn verwachting voldeden.

Onlangs heb ik een moderne dia- en negatiefscanner gekocht. Voor de aardigheid zocht ik die oude negatief-albums weer eens op, zomaar, om even te proberen. Ik kwam daarbij vele portretten tegen en foto’s van manifestaties uit de Amsterdamse kunstscene van begin jaren ’80. We noemen een W139 en een Aorta – men weet wel waar ik het over heb. Nooit afgedrukt, want te donker, te gruizig of zelfs onscherp. In deze tijd van Hipstamatic en Instagram is dat allerminst een bezwaar. Sterker nog, ze worden er alleen maar leuker op.

Daarom hier een selectie van zomaar wat foto’s. Hoewel ik van de meeste geportretteerden wel de naam ken heb ik die er niet bij gezet. Sommigen zijn bekend geworden, of zelfs beroemd voor korte of langere tijd, anderen zijn anoniem gebleven. Men ziet maar, ik vind het een mooi tijdsbeeld. Het waren niet de vrolijkste jaren, die eerste van de jaren ’80, men was bezig met overleven. We waren niet zozeer rebels, maar wel dwars en eigenwijs. En zelfredzaam, dat vooral.
Volgende keer meer jaren ’80, met rellen en echte krakers!


Read Full Post »

Sinds dit weekend is het Scheepvaartmuseum in Amsterdam weer open na vier jaar gesloten te zijn geweest voor renovatie. De eerste indruk is dat het museum niet alleen is gerenoveerd, maar meer dan dat, het is getransformeerd.

Dankzij de overkapping van de binnenplaats kunnen daar 's avonds evenementen worden gehouden. Het museum laat zich graag verhuren als locatie!

Laat ik voorop stellen dat ik de vernieuwing zeer toejuich. De vormgeving, het gebruik van het gebouw, de presentatie, de toepassing van multimedia. Het is een schitterend geheel geworden dat zijn gelijke niet kent in Nederland. Wat men daarbij gedaan heeft is tevens een nieuwe standaard gezet van het begrip ‘museum’. Ik weet niet precies hoe ik dat nou het best kan uitleggen. Men heeft afscheid genomen van wat traditioneel een museum is: een gebouw met een collectie, schilderijen aan de muren, vitrines met voorwerpen en hier en daar een diashow. Dat wil het nieuwe Scheepvaartmuseum niet meer zijn. Men wil niet alleen liefhebbers en kenners binnen de poort krijgen, maar ook mensen die nooit in een museum komen en gezinnen met kinderen een ‘maritieme beleving’ bieden.

Dat betekent nogal wat. Het oude museum met zijn onduidelijke opstelling, onlogische indeling en overmaat aan collectie-items is niet meer. Is dat erg? Nee, dat is prima, al zullen er ongetwijfeld wat mensen zijn die zich vertwijfeld afvragen waar toch al die roeibootjes zijn gebleven en waar de koningssloep is. Zij zullen hun oude museum ternauwernood terug herkennen. Maar zoals directeur Willem Bijleveld bij de opening al zei: “Dit is een museum voor de 21ste eeuw”. En zo is het maar net. De manier waarop traditionele collectie-voorwerpen als globes en navigatie-instrumenten worden uitgestald is trouwens fenomenaal. De liefhebber daarvan blijft men uitstekend bedienen, maar het museum is uitdrukkelijk geen depot meer.

Jaren lang concentreerden musea zich op hun collectie. Dat was de kern, zo zei men en alles waar men geen verstand van had, of wílde hebben, werd ge-outsourced. Dat leek soms verstandig, zolang het goed ging. Uit eigen ervaring weet ik dat een cateraar die je restaurant exploiteert, of een winkelexploitant, soms dingen doet waar je helemaal niet blij mee bent en zie dan maar om het tij te keren. Ontevreden bezoekers die jouw museum er op aan kijken dat er rommel in de winkel wordt verkocht en individuele bezoekers die niet bediend worden omdat er nu eenmaal een veel lucratievere groep in het restaurant is neergestreken en daar alle aandacht naar toe gaat. Slepende rechtszaken kunnen het gevolg zijn.

De afgelopen jaren zijn musea meer en meer een speler geworden op de totale vrijetijdsmarkt. Het draait allang niet meer alleen om de kenners en liefhebbers. De overheid eist ook van ze dat musea ondernemender worden en voor een groot deel hun eigen geld verdienen om nog voor subsidie in aanmerking te komen. Dan volstaat het niet meer je alleen om je zogeheten kerntaken te bekommeren. Je moet je breder opstellen als museum en dat hebben ze bij het Scheepvaartmuseum uitstekend begrepen. Als je de kennis niet hebt, dan haal je die binnen en daarom beschikt het museum nu over een meer dan uitgebreide marketingafdeling. Ondersteunende diensten zoals een evenementenbureau en een restaurant worden in eigen beheer geëxploiteerd. Het museum is er trots op zelfs twee chef-koks in dienst te hebben!

Het zeemagazijn is ontworpen door Daniel Stalpaert en een schitterend voorbeeld van 17de-eeuws Hollands classicisme. Dankzij de recente renovatie ogen de muren weer als nieuw. (Foto's Het Scheepvaartmuseum)

Ik hoor de oude garde al mopperen: ‘het is gewoon een pretpark geworden, meneer’. En dat is nu net de denkfout, want het museum is geen pretpark, maar heeft een nieuwe categorie geschapen, waar je natuurlijk ook heel goed pret kunt maken. We noemen dat nu nog wel een museum, maar het is anders geworden. Ik ben erg enthousiast en de tijd zal ongetwijfeld leren of men de juiste keuzes heeft gemaakt. Maar de toon is gezet denk ik. Ik vermoed dat nog vele musea de kant van het Scheepvaartmuseum op zullen gaan, totdat, wellicht, over een jaar of 20, iemand bedenkt dat het allemaal weer anders moet.

Read Full Post »