Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘15e eeuw’

Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

Advertenties

Read Full Post »

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.

Read Full Post »

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Read Full Post »

Veel historici hebben een lievelingseeuw, een tijdperk dat ze het liefst bestuderen, waar ze het meest van weten en waar ze zich het meest druk over maken. Voor mij is dat de vijftiende eeuw.

De Grafelijke vispartij, een schitterende afbeelding uit de vroege 15de eeuw: twee groepen edelen met hengels aan weerszijden van een beekje. In het midden rechts zien we waarschijnlijk Jan van Beieren. Staat links Jacoba van Beieren? Waar slaan die hengels op en waar wordt naar gevist? Een mysterieuze tekening uit plm. 1420, waarschijnlijk vervaardigd door Jan van Eyck. (Louvre, Parijs)

Ik moet er meteen bij zeggen: de vijftiende eeuw in Noordwest-Europa, want de ene vijftiende eeuw is de andere niet. Natuurlijk zijn er zoveel intereressante perioden en tijdperken en wie zich eenmaal in een periode verdiept kan daar helemaal verslingerd aan raken, of het nu de Griekse oudheid is of 19de-eeuws Engeland. Zelf heb ik ik me, vanwege mijn werk, lange tijd bezig gehouden met de Nederlandse Gouden Eeuw. Geweldige tijd, mooie schilderijen, fantastische schepen, flamboyante kleding, boeiend in alle opzichten. Ik stel me zo voor dat elke historicus wel een favoriete tijd heeft, uit persoonlijke interesse, of omdat hij of zij er bij toeval in rolde, of allebei. Voor mij gold dat ik er bij toeval in rolde, in die zeventiende eeuw dus. Hoe dat kwam doet er nu even niet toe. Terwijl ik mij in de jaren daarvoor, in mijn studietijd, eigenlijk bezig was te specialiseren in juist de vijftiende eeuw,  het tijdvak van wat we maar de Bourgondische Nederlanden zullen noemen, want daar lag mijn hart.

Het leuke van de vijftiende eeuw is dat die een heleboel niet meer is, of juist nog niet. Het is eigenlijk niet meer echt de Middeleeuwen, maar in veel opzichten toch zeker wel. We kunnen hem ook niet ‘modern’ noemen, maar in sommige opzichten toch ook wel. Het is nog niet de Renaissance, tenminste niet in de Nederlanden, maar in Italië juist weer wel. Hij lijkt soms dichtbij, maar als je dan soms dingen leest, lijkt het qua mentaliteit toch ook weer een andere planeet te zijn. Oudere vormen bestaan er naast nieuwe, boogschutters naast buskruit, gedrukte boeken naast manuscripten, ridders naast kapitalisten, burchten naast burgers. Het lijkt alsof de geschiedenis nog niet echt een keuze heeft gemaakt, alsof het nog alle kanten op kan.

Wat ook bijzonder is, is het feit dat we uit de vijftiende eeuw zo veel méér materiaal hebben overgeleverd gekregen dan in de eeuwen daarvoor. Deze tijd laat zich dus heel goed bestuderen, maar anderzijds kom je ook bepaald niet zodanig om in het bronnenmateriaal dat je ‘alles’ te weten kunt komen. Hij blijft mysterieus, die eeuw.

Met mijn belangstelling voor de vijftiende eeuw bevind ik me overigens in illuster gezelschap. Het Herfsttij der Middeleeuwen, zoals Johan Huizinga dat in 1919 al zo geweldig beschreef, had zijn interesse, omdat hij gefascineerd was door de vormentaal van de Late Middeleeuwen. Hij wilde de schilderijen van Van Eyck begrijpen, hij wilde weten wat hij zag op die afbeeldingen. Dat soort verwondering ligt ten grondslag aan elk historisch onderzoek. Huizinga veronderstelde overigens dat hij een culturele eenheid op het spoor zou komen, maar kwam er al tijdens zijn onderzoek achter dat die eenheid er maar in weinig opzichten was. Door zijn onderzoek raakte hij zijn vooroordelen kwijt en hij had de durf om dat onder ogen te zien en het over iets anders te gaan hebben. Daardoor drong hij dieper door in een historische werkelijkheid dan hij misschien eerder gedacht had.

Tegelijk besef je telkens weer dat de vragen die je stelt je zijn ingegeven door je eigen tijd en ruimte. Ook mijn vijftiende eeuw is weer een andere dan die van Huizinga.

Read Full Post »