Feeds:
Berichten
Reacties
Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Tussen 1990 en 2007 werkte ik, afgezien van een korte tussenpoos, op de Bataviawerf in Lelystad, in verschillende rollen en functies. Vanaf mijn eerste stappen op de werf, in de zomer van 1990, tot aan zijn terugtreden in 2001, heb ik langdurig en nauw samengewerkt met scheepsbouwmeester Willem Vos. Willem Vos was de stichter van de Bataviawerf en de geestelijk vader van de reconstructie van het schip Batavia. In alle opzichten.
Ik kom daar over te spreken omdat er gewerkt wordt aan een biografie over Willem Vos. Die wordt geschreven door freelance journalist Wilfried Vonk en moet verschijnen in september 2015. Willem Vos is dan 75 jaar en het is tevens 30 jaar geleden dat hij met de bouw van de Batavia begon (kiel gelegd op 4 oktober 1985).

Afgelopen week bezocht Wilfried mij om mij te interviewen over mijn tijd op de werf en mijn herinneringen aan scheepsbouwmeester Vos. Nu wil ik hier zeker niet alles opschrijven wat ik aan Wilfried vertelde, dat staat straks wel te lezen in dat boek. Mijn herinneringen vormen maar één perspectief en Vos verdient juist een objectieve benadering waarin het fenomeen Willem Vos van alle kanten wordt belicht. Wilfried heeft gelukkig met een groot aantal mensen gesproken. Laat ik één tipje van de sluier oplichten: Willem was een gecompliceerde persoonlijkheid. Door sommigen bejubeld als een soort goeroe, of sekteleider zo men wil, door anderen verguisd en afgebrand. Maar voor alles een groot vakman, laat dat duidelijk zijn.
In zijn laatste jaren op de Bataviawerf is hij niet al te best behandeld door bestuur van zowel werf als gemeente Lelystad, maar anderzijds gedroeg hij zich soms zo wispelturig en ongrijpbaar dat hij bestuurders (en medewerkers!) tot wanhoop kon drijven. Een wispelturigheid die je ook als ‘authenticiteit’ kunt omschrijven. Willem deed namelijk zelden iets tegen zijn eigen zin.

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Als je zo’n lange tijd ergens heb gewerkt onthoud je natuurlijk niet alles wat er gebeurd is. Het geheugen is selectief. Ik had altijd gedacht een duidelijke en vastomlijnde herinnering te hebben gehad aan de werf. Maar dat bleek dus niet zo te zijn. Je eigen herinnering wordt gekleurd door meningen die je je later hebt gevormd over bepaalde periodes. Eerste indrukken vermengen zich met latere kennis; globale ideeën die je had blijken soms nergens op gebaseerd te zijn. Een interviewer die je naar je herinneringen vraagt doet dat soms op zó’n manier dat je werkelijk je hersens moet uitwringen om te reconstrueren hoe het nou ook al weer precies zat. Hij heeft immers meerdere bronnen gehoord en bezit misschien een objectiever beeld, maar ik was er toch bij geweest. Dus wat was nu de waarheid? Als historicus ben je nu zelf onderdeel van het gebeurde.

Ik ben na het interview extra nieuwsgierig geworden naar het boek over Willem. Ik heb hem sinds 2003 niet meer gezien of gesproken, maar weet nu al dat het boek me zal verrassen.

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

20 Altamira jagers

De laatste tijd doe ik regelmatig mee aan vogelexcursies. Ik kijk al jaren vogels en nu af en toe in groepsverband. Het zijn gemengde groepen, van zowel mannen als vrouwen, maar wat een verschil in de manier waarop er gevogeld wordt! De mannen lopen of fietsen zwijgend, spieden om zich heen, luisteren geconcentreerd naar soorten zang. ‘Wat scharrelt daar door het struikgewas, zag je die Poelsnip, daar op vier uur?’ Sommige vrouwen daarentegen zijn in de eerste plaats met elkaar bezig en daarna pas met de vogels. Vrolijk kwetteren en kwebbelen ze er op los. Pas als de groep stilstaat om een waarneming te bespreken, rukken ze zich los uit hun conversatie. ‘Wat zien jullie? O, leuk een Roodborst. Dat doet me denken aan onze vakantie op Corsica vorig jaar, ik zei toen nog tegen Wim, Kijk daar heb je een Roodborstje’.
En verder gaat het gesprek, over vogels, konijnen, de (klein)kinderen en wat al niet. Ik kan me daar behoorlijk aan ergeren, zozeer zelfs dat ik me afvroeg of daar niet méér achter zou zitten.

Moeiteloos kun je deze situatie terug projecteren naar 50.000 jaar geleden. Je ziet de mannen, de jagers, zwijgend door bos of steppe lopen, geconcentreerd op de prooi. Af en toe gebaren ze naar elkaar: dáár zit hij. Ze hebben aan een half woord genoeg en vermijden alles waardoor de prooi op de vlucht zou slaan. Focus op wat ze doen, de prooi besluipen en verschalken en er desnoods dagen achtereen achter aan hollen. De vrouwen van de stam intussen scharrelen tussen de struiken en bomen om bessen en wortels te verzamelen, flink socializend met elkaar, kind op de rug. Geen denken aan dat de vrouwen mee op jacht zouden gaan, de prooidieren zouden het groepje al van kilometers horen aankomen. Bovendien zijn vrouwen er niet op gebouwd om prooien dagenlang te achtervolgen. De stam zou verhongeren. Gaan jullie maar bessen plukken en wortels graven, dan zorgen wij wel voor het vlees.

Zoiets moeten ze gedacht hebben, die jagers, en mogelijk ligt daar ook de oorsprong van mijn ergernis. Mijn prooiconcentratie werd verstoord. Daarom denk ik ook dat de landbouw een uitvinding is geweest van vrouwen. Landbouw is een uitgestelde vorm van voedsel verzamelen. Terwijl het graan kiemt en de knollen onder de grond groeien, hielden de vrouwen meer tijd over voor kinderen opvoeden en gezellige gesprekken voeren over alles en nog wat. En de mannen maar monomaan achter die beesten aanrennen.

Die biologische verschillen zijn gebleven, met dit verschil dat we tegenwoordig wel gemengde jachtgroepen hebben op die vogelexcursies. En voor de landbouw hebben we machines. Uitvindingen van mannen, dat dan weer wel.

Opa Rients

Rients van der Zee achter de toonbank van zijn winkel Oude Delft 103, ergens tussen 1913 en 1919.

Rients van der Zee achter de toonbank van zijn winkel Oude Delft 103, ergens tussen 1913 en 1919. (Met dank aan mijn neef Jan Koster voor de foto)

Laat ik het weer eens over mijn opa hebben. Ik had het hier al eerder over hem, in zijn hoedanigheid als economische vluchteling vanuit Friesland naar het Westen. Ik heb hem nooit gekend, hij stierf 10 jaar vóór mijn geboorte. Het weinige dat ik weet heb ik van horen zeggen of uit wat de archieven over hem vertellen. Laat ik daarom eens op een rijtje zetten wat ik nu eigenlijk wél van hem weet.

Rients van der Zee werd geboren in het Friese Sexbierum (Barradeel), op 14 oktober 1886, als achtste kind van Haring Janszoon van der Zee en Engeltje Ekes van der Velde. Van die acht waren er al twee voor hun eerste jaar overleden, zodat Rients opgroeide met vijf oudere broers en zussen. Na hem werden nog drie meisjes geboren, Sietske, Froukje en Klaske. Omstreeks 1905 vertrok Rients uit Friesland om in de leer te gaan bij een winkelier in manufacturen. Dat was in Schagen, maar daar heeft hij verder geen sporen in archieven achtergelaten. Wel liet hij voor hij verder trok nog een foto van zichzelf maken.

Rients van der Zee in 1908.

Rients van der Zee in 1908.

In 1908 duikt hij op in Delft. Hij had zich daar ingeschreven als kostganger bij de weduwe Wollen, aan de Oude Langedijk nr 4. Als zijn beroep staat ‘winkelbediende’ vermeld. Rients toont ambitie, want een paar jaar daarna, in 1912, heet hij ‘reiziger in manufacturen’ en woont hij aan de Brabantse Turfmarkt, op nr 68. Dan gaat het snel met hem. Hij leert een meisje kennen, Antoinetta ‘Nettie’ Kerkhof, de dochter van een houtzager aan de Buitenwatersloot. Zij is dan 21, hij 26. Ze trouwen op 1 oktober 1913, maar al een maand daarvoor had Rients zijn hoogsteigen winkel geopend, op de hoek van de Binnenwatersloot en het Oude Delft. Hij verkocht er Manufacturen, Garen, Band en Sajet. Het pand Oude Delft 103 is er nog, het huisvest tegenwoordig een makelaarskantoor.

Advertentie in een Delfts kerkblad, september 1913

De opening van de eerste winkel, september 1913. Advertentie in het blad van de Hervormde Kerk, Delft.

Wat zal hij trots zijn geweest, een eigen winkel! Aan een fraaie gracht in een keurige stad in Holland. Zie hem staan, met zijn stijve boord en zwierige snor achter de toonbank. De foto is niet best, maar het toont hem in vol ornaat als gearriveerde middenstander, belijdend lidmaat van de Nederlands Hervormde kerk en burger van de stad Delft. Wat een afstand tot het achtergebleven Friese platteland. Misschien zou hij er nog een filiaal bij openen, lid worden van de Kerkeraad of nog hoger! Rients en Nettie kregen zes kinderen die allemaal in leven bleven. De oudste zoon werd Haring genoemd naar zijn Friese opa. Hij stamt uit 1914. De jongste, mijn vader Frederik uit 1923 werd genoemd naar de vader van Nettie, Frederik Kerkhof. En de zaken gingen ook al zo goed, al in 1919, precies zes jaar na de opening verhuisde de winkel naar een nóg mooier pand, op de hoek van het Oude Delft en de Oude Kerkstraat, precies onder de scheve toren van de Oude Jan. Het gezin ging boven de winkel wonen, mijn vader is daar geboren. Er kwam zelfs een dienstmeisje in huis, en nog één. Ook dat pand bestaat nog en ook daar is, toeval, een makelaarskantoor in gevestigd.

Maar dan keert het tij. De verkopen dalen na het midden van de jaren ’20, de concurrentie neemt toe. Netties gezondheid gaat achteruit door reuma en zelf moet Rients op de fiets de boeren in het Westland langs, door weer en wind met zijn fournituren en sajet. Zijn jongste zus Klaske komt een tijdje inwonen aan de Oude Kerkstraat, ongetwijfeld om te helpen met de kinderen en de winkel. De dienstmeisjes werden ontslagen. Op 21 september 1925 valt het doek. Het faillissement wordt uitgesproken over ‘R. van der Zee, koopman te Delft’, door rechter-commissaris Mr W. Lunsingh Tonckens. Mr Van Nispen tot Sevenaer wordt tot curator benoemd. Wat zou de oorzaak zijn geweest? Niet de economische crisis, want die kwam pas jaren later. Niet meegaan met de tijd? Een verouderd assortiment?

Dan volgen enkele verhuizingen. Het mooie huis aan de Oude Kerkstraat moest worden verlaten. Het gezin vinden we terug als tijdelijk inwonend aan de Laan van Overvest en aan de Schoolstraat. Dat laatste adres was zelfs een soort opvanghuis van de Diakonie. De val was hard en diep. Gelukkig voor Rients en zijn gezin krijgt hij in 1932 een baan bij de gemeente Delft, als portier van de gasfabriek. Met het nieuw verworven inkomen kan ook weer een fatsoenlijk huis worden betrokken in de dan net gereedgekomen nieuwbouwwoningen aan de overzijde van het spoor, in de C. Fockstraat. Op nr 81 zou het gezin lange tijd blijven wonen, Rients tot zijn overlijden in 1947 en zijn vrouw, mijn oma Nettie, zelfs tot halverwege de jaren ’60. Ik heb er nog gelogeerd.

Tot zover de gegevens en de opsomming. Maar wat was opa Rients voor een man? Een harde werker, ongetwijfeld, maar ook moet hij zwaar teleurgesteld zijn geraakt in het leven. Zijn ambitie was geknakt door zijn faillissement en daar is hij nooit meer echt bovenop gekomen. Naar verluidt was het een wat barse, autoritaire man, met een kort lontje en losse handjes, die ook zijn kinderen niet spaarde. Hoe hij de komst van de Duitsers ervoer en of hij wellicht aanvankelijk enige sympathie koesterde voor de autoritaire harde hand van de bezetter is mij niet bekend, maar lijkt me ook niet onmogelijk.

De zomer van 1947 begon al vroeg warm en heet en zou nog warmer en heter worden, een van de warmste zomers van de twintigste eeuw. Desondanks vatte Rients kou. Zijn ziekte groeide uit tot een longontsteking en terwijl buiten de mussen van het dak vielen aan de C. Fockstraat, lag opa Rients in bed onder een stapel dekens in een potdichte kamer, bang voor tocht. Dat werd hem fataal en hij stierf uiteindelijk aan een hartaanval, op 1 juni 1947. Hij werd begraven op begraafplaats Jaffa in Delft en daar ligt hij nog steeds. Ik heb zijn graf bezocht.

Tot zover opa Rients (1886-1947). Ik had nog een opa, een totaal andere persoon die ik wél heb gekend, al was het maar kort. Maar over hem een andere keer.

Luchtfoto van Elim uit ±1957. De wijken zijn gedempt, rijen nette huisjes zijn er gebouwd.  Foto Facebook Oud-Elim:

Luchtfoto van Elim uit ±1957. De wijken zijn gedempt en vervangen door straten, rijen nette huisjes zijn er gebouwd.
Foto Facebook Oud-Elim.

Een paar weken geleden zijn de opnamen begonnen van de verfilming van Publieke Werken. Dat is een geweldig boek van Thomas Roosenboom uit 1999 en hopelijk wordt het ook een hele goede film. Ik heb er alle vertrouwen in.

Even ter opfrissing: het boek speelt zich af in 1888, op twee locaties. De ene is in Amsterdam, waar vioolbouwer Walter Vedder in zijn huisje op de hoek van het Damrak en de Texelse Kade ingekapseld raakt door de bouw van het Victoria Hotel. De andere plaats is het dorpje Elim bij Hoogeveen, waar Vedders neef, de apotheker Christof Anijs, zich tot weldoener verklaart van een turfstekersgemeenschap. Dit even in het kort. Maar het is een dik boek, met een ingenieuze plot. Leest u zelf maar.

Toen ik het boek voor het eerst in handen had, vele jaren geleden, en het opensloeg, moest ik verschrikkelijk lachen. Het gaat over Elim! Het speelt zich af in Elim, hoe verzint hij het! (Elim ligt trouwens hier, voor wie het wil weten)

Wat is er dan zo grappig aan Elim, zo vraagt u zich misschien af? Wel, op het eerste gezicht niet zo veel. Wie er wel eens geweest is, of doorheen is doorgereden, weet dat het een tamelijk kleurloos dorpje is, in een uithoek van het Hollandsche Veld in Drenthe. Er is bijzonder weinig te beleven, het ligt daar gewoon. Het is ooit eind 18de eeuw als veenwerkersdorp ontstaan op een kruispunt van twee kanalen, de zogeheten ‘wijken’ (spreek uit: wieken), waar een verbindingskanaal werd gegraven. Dat werd het Dwarsgat, lange tijd de officieuze benaming van het dorp, dat pas rond 1920 de naam Elim kreeg, vernoemd naar een oud-testamentische oase in de Sinaï.

Het leven in het Drentse Elim was zwaar en armzalig, tot midden jaren 1950 was er nauwelijks stromend water of elektriciteit. De bewoners waren inderdaad turfgravers, dat klopt, maar verder heeft het Elim uit Publieke Werken helemaal niets van doen met het werkelijke Elim. Roosenbooms Elim is pure fictie en ik heb begrepen dat de opnamen voor de film grotendeels in Hongarije zullen plaatsvinden en niet in Drenthe. Waarom zouden ze ook?

Mijn geboortehuis, de pastorie naast de kerk. Ansichtkaart (Reliwiki)

Mijn geboortehuis, de pastorie naast de kerk, tegenwoordig een Rijksmonument. (Reliwiki, Ansichtkaart)

Niettemin bestaat Elim echt en ik kan het weten, want ik ben er namelijk geboren, in 1957. Dat is vooral het allerleukste aan Elim. Het dorp, met toen misschien iets meer dan 1000 inwoners, begon zich in die tijd net wat te ontworstelen aan die 19de-eeuwse armzaligheid. Mijn vader, die er beginnend dominee was, heeft daar nog een stimulerende rol in gespeeld. Zoals het familieverhaal wil was hij, samen met de plaatselijke huisarts, dokter Brouwer, de weldoener die Elim stromend water en elektriciteit gebracht heeft.
Zijn eigen gezin heeft hij tijdig aan Elim ontworsteld, want ik was nauwelijks 6 maanden oud toen wij er weggingen, terug naar het Westen en de Kust. Herinneringen aan Elim heb ik daarom niet, maar toch wel een beetje, want in later jaren gingen we er nog wel eens langs om mensen te bezoeken. Een scheutje Elim is er daarom toch wel in mij achtergebleven. En altijd als ik die naam ergens tegenkom moet ik even glimlachen.

De Val van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Belegering van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Nu de barbaren van de IS op de poorten van de beschaving beuken en een spoor van bloed en geweld door het Midden-Oosten trekken, gaan onze gedachten als vanzelf uit naar het jaar 1453. De Osmaanse Turken hadden de stad Constantinopel, de oude hoofdstad van het Romeinse Rijk, die parel van beschaving, al maanden in de tang en namen die uiteindelijk in op 29 mei 1453. Het Oost-Romeinse Rijk, of wat daar van over was, was gevallen en voor sommigen kwam daarmee een einde aan 2000 jaar Romeinse beschaving.

Maar hoe ervoer men toen in West-Europa die val van Constantinopel? Wat ging er door ze heen, om zo te zeggen? Wel, volgens deze auteur waren de gevolgen eigenlijk niet zo groot als ze door latere geschiedschrijvers wel zijn voorgesteld. Er ging weliswaar – even – een schok door het Christelijke Westen, maar het leven ging door en men leerde om te gaan met die nieuwe Turkse macht aan het oostelijk uiteinde van Europa.

Gebeurde er dan niets? Liep men dan niet te loop, eiste men geen maatregelen? En wat deed de Grote Hertog van het Westen, Filips de Goede? Rustte hij niet direct een groot leger uit en stuurde hij de F16’s van de vijftiende eeuw niet subiet oostwaarts om zijn geloofsgenoten te hulp te komen?

Nou, neu.

Dat wil zeggen, de hertog nam zich voor om op termijn een groot offensief te starten tegen de nieuwe machthebbers in Constantinopel. Een nieuwe grote kruistocht moest er komen en hij zwoer, samen met zijn ridders van het Gulden Vlies, vazallen en hovelingen een plechtige eed tijdens een magistraal banket in Rijsel (Lille) om die kruistocht aan te zullen vatten. Zodra de tijd rijp zou zijn, Dieu le veult.

Dat banket en die eed, de befaamde Eed op de Fazant, we hebben het er nu nóg over. Maar tot militaire actie van enige omvang heeft het niet geleid. De Turken bleven waar ze waren, tot op de huidige dag.

Wel danken we aan dat banket, dat gehouden werd op 17 februari 1454, een fantastisch mooi muziekstuk. Filips had zijn hofcomponist, Guillaume Dufay, opdracht gegeven om een treurzang te schrijven op de Val van Constantinopel. Dufay maakte toen de Lamentatio sanctae matris ecclesiae Constantinopolitanae. Naar verluidt werd dit motet tijdens het banket gezongen door een vrouw terwijl zij in een wit gewaad, gezeten op een olifant, de zaal binnenreed. Iedereen was tot tranen toe geroerd en besloot onmiddelijk om het kruis aan te nemen. Voor drama en ultiem effect had de hertog van Bourgondië een groot talent, dat is bekend.

Maar het is een prachtig lied, Dufay had zichzelf weer eens overtroffen. Dit is de tekst:

 

O tres piteulx de tout espoir fontaine,


Pere du filz dont suis mere esplorée,


Plaindre me viens a ta court souveraine,


De ta puissance et de nature humaine,


Qui ont souffert telle durté villaine


Faire à mon filz, qui tant m’a hounourée.

 

Dont suis de bien et de joye separée,


Sans qui vivant veule entendre mes plaints.


A toy, seul Dieu, du forfait me complains,


Du gref tourment et douloureulx oultrage,


Que voy souffrir au plus bel des humains.


Sans nul confort de tout humain lignage.

 

Omnes amici ejus spreverunt eam, non est qui consoletur eam ex omnibus caris ejus.

 

De laatste regel vormt de zogeheten tenor, een langzaam gezongen Latijnse tekst uit de Klaagzangen van Jeremia, die door de Franse tekst heengeweven is. Of de Franse tekst is om de tenor heen geweven, het is maar hoe je het wilt horen. Dufay was een meester in polyfonie.

 

En de muziek vind je hier: bijvoorbeeld deze uitvoering, op Spotify, van de Capella de Ministrers

 

Op YouTube, een mooie uitvoering van het Hilliard Ensemble

https://www.youtube.com/watch?v=chkFXZJb2dw

De Mozesput in Dijon. Rechts de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël.  Een engel kijkt toe.

De Mozesput in Dijon. Midden de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël. Een engel kijkt toe. (Foto’s auteur)

In het jaar 1385 arriveerden twee Hollandse beeldhouwers in de Bourgondische hoofdstad Dijon. Claes Sluter en zijn neef Claes die Werve waren oorspronkelijk afkomstig uit Haarlem en hadden de jaren daarvoor in Brussel gewerkt. Nu werden zij door hertog Filips de Stoute (1342-1404) ontboden aan het Bourgondische hof, om daar te komen werken aan de beelden die de grafkerk van de Bourgondische dynastie luister bij moesten zetten.

Deze grafkerk bevond zich op het terrein van de Chartreuse de Champmol, een kartuizerklooster even ten westen van het oude Dijon dat door Filips de Stoute in 1384 was gesticht met het doel om daar een necropolis voor zijn dynastie te vestigen. Vierentwintig monniken zouden daar dag en nacht voor het zielenheil van hem en zijn familie bidden. Er moest een gebouw verrijzen dat in alle opzichten de concurrentie zou kunnen aangaan met de Franse koninklijke grafkapel in Parijs. De hertog liet de beste kunstenaars naar Dijon komen. Ze stonden geheel en al in dienst van de hertog, maar genoten daarentegen een luxeleven waar ze nooit van hadden kunnen dromen.

Claes en Claes stonden aanvankelijk onder de supervisie van de hertogelijke opperbeeldhouwer, maar na diens dood in 1389 nam Claes Sluter de leiding over. De grafmonumenten voor Filips de Stoute en zijn vrouw Margaretha van Male zijn nog te zien in het Museum in Dijon. Het klooster in Champmol werd tijdens de Franse Revolutie met de grond gelijk gemaakt. Op het terrein bevindt zich sinds 1830 een psychiatrisch ziekenhuis.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

Van de beeldhouwwerken resteert nog één stukje, maar dat is dan wel meteen een formidabel monument. Het is de zogeheten Mozesput (Puits de Moïse) die na de Revolutie was gered ter decoratie van de stadstuinen. Gelukkig onderkende men toen ook al de uitzonderlijke kwaliteit van de beelden. Op de Mozesput, eigenlijk de sokkel voor een grotere calvarie, vinden we beelden van zes profeten uit het Oude Testament: Mozes, David, Daniël, Zacharias, Jesaja, en Jeremia. De beelden waren ooit polychroom beschilderd door de beroemde schilder Jean Maelwael. Er zijn nog restjes te zien van die beschildering. Ook waren ze deels verguld en voor Jeremia werd een speciale bril van koper besteld. Die is helaas niet bewaard gebleven. Deze details zijn bekend omdat het volledige archief van de Chartreuse bewaard is gebleven; de bouwgeschiedenis van de Mozesput is daardoor goed te reconstrueren.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

De gezichtsexpressie van de beelden van de profeten is verbijsterend realistisch en vooral menselijk. Niet ten onrechte is Claes Sluter wel vergeleken met Michelangelo, die 100 jaar later leefde. Ook de engeltjes die boven de profeten staan afgebeeld hebben allerlei herkenbare uitdrukkingen, variërend van ontzetting tot angst en ontzag. Claes Sluter en zijn team werkten tussen 1395 en 1405 aan de put en gingen daarna verder met de graftombes voor Filips de Stoute en diens vrouw Margaretha (†1405). Sluter zou dat niet meer lang meemaken, hij overleed in 1406. Het werk is daarna voortgezet door zijn neef Claes die Werve die de monumenten voltooide in 1410.

Koning David (met kroon).

Koning David (met kroon).

De profeet Jeremia (zonder bril)

De profeet Jeremia (zonder bril)

Wanneer je om de Mozesput heenloopt valt op dat de meeste beelden je indringend aankijken. Dit effect zal nog sterker zijn geweest toen de helblauwe ogen er nog op geschilderd waren, maar het restant is nog altijd indrukwekkend. Over de betekenis van de beelden en de attributen die ze bij zich hebben is geschreven door Huizinga in diens Herfsttij der Middeleeuwen (Hoofdstuk 18). Ook de Franse Wikipediapagina biedt uitgebreid informatie. Laten we ons hier daarom beperken tot een beeldengalerij en ons verbazen over de schoonheid van dit alles.

De Mozesput is dagelijks te bezoeken van half tien ’s morgens tot 17 uur ’s middags. Een vriendelijke mevrouw aan de kassa verkoopt entreebiljetten voor slechts 3,50 euro per stuk. Wij waren de eerste bezoekers op een maandagmorgen en het was heel erg rustig.