Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Vijftiende eeuw’ Category

02-baerdze-1481-mr-wa-schpvrtmsm

Een ‘baerdze’ met averij, getekend omstreeks 1481 door ene ‘Mr WA’. Scheepvaartmuseum Amsterdam

“Een baardze bouwen, weer wat nieuws”.
De Goudse scheepstimmerman Dirk Malgerszoon had er de halve nacht van wakker gelegen. Die middag, 17 mei 1438, was een gezant van de stad bij hem op de werf langs geweest met de opdracht dat hij, op last van het stadsbestuur en de grafelijke overheid, een baardze diende te bouwen. En het schip moest vóór Pinksteren op stapel worden gezet. Dat was al over twee weken! “Mag het misschien een crayer zijn?”, zo had hij nog voorzichtig geïnformeerd. Met crayers had hij veel ervaring. Hij en zijn vader bouwden de beste crayers in de wijde omgeving. Zelfs de koning van Engeland had ze indertijd ingehuurd om zijn leger over het Kanaal naar Frankrijk te brengen. Hij had de mallen nog op zolder liggen en kon bij wijze van spreken direct aan de slag. Maar de afgevaardigde was onverbiddelijk geweest. Een baardze moest het worden en hij moest bovendien zó groot worden gemaakt dat hij op volle zee gebruikt zou kunnen worden. Orders van de hoge heren in Den Haag en uiteindelijk van de hertog zelf.

Het was daarmee onontkoombaar. Dirk Malgerszoon piekerde voort die nacht. Hij had nog nooit een baardze gebouwd en bezat geen flauw idee hoe hij dat moest aanpakken. Hij had zelfs ternauwernood een baardze gezien in zijn leven. Had het schip nou één of twee masten? Of drie? Moest er ook nog een voorkasteel op? Wat was dan de kiellengte? En hoe breed zou hij de voorsteven moeten maken? Hoeveel moest die vallen? Hoeveel hout zou hij nodig hebben? Al dat soort voor scheepsbouwers essentiële informatie ontbrak hem ten enenmale. Plotseling kreeg hij een ingeving. Het was weliswaar hoogst ongebruikelijk dat scheepsbouwers hun ambachtelijke geheimen met elkaar deelden, maar zou deze situatie niet uitzonderlijk genoeg zijn om de stap te zetten andere scheepsbouwers in Holland te bevragen hoe zij dit deden? In Amsterdam bijvoorbeeld, hij wist dat ze daar zeker ervaring hadden met het bouwen van baardzen. Zou hij niet gewoon de stoute schoenen moeten aantrekken en naar Amsterdam afreizen om daar te onderzoeken hoe je het best zo’n schip moest bouwen? Zijn collega’s daar hadden vast begrip voor zijn positie en zouden zeker bereid zijn om hun kennis met hem te delen. Hij was toch niet van plan hen concurrentie aan te doen, dus wat hadden ze te vrezen? Ze zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje met die opdracht vanuit Den Haag. Zijn besluit stond vast. Morgen zou hij bij het stadsbestuur om een toelage verzoeken voor een studiereis naar Amsterdam. Tevreden voor dit moment sliep hij in.

Zo zou het gegaan kunnen zijn. Het bovenstaande verhaal is weliswaar een beetje door de fantasie ingevuld, maar de kern berust wel degelijk op waarheid. In de Goudse stadsrekening over het jaar 1438 vinden we de vermelding dat er aan Dirk Malgerszoon een bedrag is betaald van 15 placken om in Amsterdam te gaan kijken hoe een baardze in elkaar steekt om een zelfde soort schip na te kunnen maken.

Gegheven Dirc Malgerssoen van dat hij toech tot Aemsterdam om te besien dat maecksel vanden baerdse om een andere daer nae te maken, verteert en voir syn loen xv placken;1

Blijkbaar heeft Dirk die Amsterdamse baardze succesvol kunnen aanschouwen, want het vervolg van de post vermeldt dat hem het bedrag van 115 schild is betaald om daadwerkelijk een baardze te bouwen. Dat is een flink bedrag waar je een heleboel graan voor kon kopen. Daarnaast is het gegeven dat anno 1438 een Goudse scheepstimmerman bij een Amsterdamse collega langs ging om diens werk te bestuderen en ook nog wijzer geworden naar huis terugkeerde tamelijk bijzonder. Bedenk daarbij dat in deze periode nog lang geen sprake was van overdraagbare technische scheepstekeningen. Zelfs bouwbeschrijvingen in tabelvorm, zoals we die uit de 17de eeuw kennen, bestonden nog niet. Dirk moet het Amsterdamse schip een paar keer om zijn gelopen, als het nog op stapel stond, erin hebben gekeken, een ruwe meting hebben gedaan van de afmetingen en verhoudingen; een schatting hebben gemaakt van de materiaalbehoefte en deze gegevens vervolgens in zijn hoofd, op een leitje of op een stukje papier, hebben genoteerd en dat was het dan. Voor een ervaren scheepsbouwer was dat genoeg informatie om daadwerkelijk een schip te kunnen bouwen.

Dirk Malgerszoon kreeg van het Goudse stadsbestuur ook nog een mantel ter waarde van één schild kado. Of dit een bonus was voor het succesvol afleveren van de baardze staat er helaas niet bij. Het kon er blijkbaar af, want diezelfde stadsrekening over 1438 vermeldt een grote hoeveelheid uitgaven aan timmer- en metselwerk, voor reparaties aan torens, bruggen en muren, bestrating en werk aan het stadhuis. Alles als gevolg van de grote brand die datzelfde jaar in augustus in de stad had gewoed. Ook aan die reparaties had Dirk Malgerszoon bijgedragen. Hij was dus blijkbaar niet alleen timmerman van schepen, maar ook van andere houten constructies. Dirk duikt later nog één keer op in de stadsrekening, zij het postuum. In 1439 wordt een bedrag van vier gulden uitgekeerd aan zijn weduwe als betaling voor de leverantie van planken die voor het herstel van een brug waren gebruikt.2 Misschien heeft hij zijn baardze nog voor zijn dood te water zien gaan, laten we het hopen.

Nog even over de achtergrond van dit verhaal en de context van deze Goudse scheepsbouwexercitie. In een oorkonde van 16 mei 1438, die was uitgevaardigd door Raad en Ridderschap van Holland en Zeeland namens de landsheer, hertog Filips de Goede, was aan meer dan 70 steden en dorpen in Holland en Zeeland opgedragen om een groot aantal baardzen te bouwen in verband met de oorlog tegen de Wendische steden.3 Het zou mooi zijn geweest als we ook in andere stadsrekeningen uit deze periode gegevens hadden kunnen vinden die de bouw van de nieuwe oorlogsschepen zouden bevestigen, maar jammer genoeg zijn de meeste stadsrekeningen uit de vroege 15de eeuw niet meer bewaard gebleven. Brand, opzettelijke vernietiging of gewoon zoek raken zijn daar debet aan. Zo is het grootste deel van het Delftse archief vernietigd tijdens de stadsbrand van 1536 en is het Amsterdamse middeleeuwse stadsarchief voor een belangrijk deel opgeruimd in de 18de eeuw. Het Haarlemse archief bezit wel een doorlopende reeks stadsrekeningen, maar uitgerekend het jaar 1438 ontbreekt in deze reeks. In de rekening van een jaar later, over 1439 vinden we geen gegevens die op enige wijze verwijzen naar de oorlogsinspanning. Leiden, Rotterdam noch Alkmaar bezitten rekeningen meer uit deze periode. Dat ondanks de stadsbrand het Goudse archief met de stadsrekening en de summiere, maar veelzeggende, gegevens over de baardzenbouw ter plaatse bewaard is gebleven, mag daarom een klein wonder heten. Soms blijkt een snipper middeleeuws papier genoeg om een heel verhaal te kunnen reconstrueren.

(met dank aan Sjoerd de Meer voor de tip die tot deze archiefvondst leidde)

Noten

1 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1438, inv. nr. 1126, f 19v.

2 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1439, inv.nr. 1127, f 27v.

3 Ad van der Zee, ‘De vloot van 1438’, in Holland Historisch Tijdschrift 2016-3/4, pp. 126-132.

Advertenties

Read Full Post »

Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

Read Full Post »

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Read Full Post »

De Val van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Belegering van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Nu de barbaren van de IS op de poorten van de beschaving beuken en een spoor van bloed en geweld door het Midden-Oosten trekken, gaan onze gedachten als vanzelf uit naar het jaar 1453. De Osmaanse Turken hadden de stad Constantinopel, de oude hoofdstad van het Romeinse Rijk, die parel van beschaving, al maanden in de tang en namen die uiteindelijk in op 29 mei 1453. Het Oost-Romeinse Rijk, of wat daar van over was, was gevallen en voor sommigen kwam daarmee een einde aan 2000 jaar Romeinse beschaving.

Maar hoe ervoer men toen in West-Europa die val van Constantinopel? Wat ging er door ze heen, om zo te zeggen? Wel, volgens deze auteur waren de gevolgen eigenlijk niet zo groot als ze door latere geschiedschrijvers wel zijn voorgesteld. Er ging weliswaar – even – een schok door het Christelijke Westen, maar het leven ging door en men leerde om te gaan met die nieuwe Turkse macht aan het oostelijk uiteinde van Europa.

Gebeurde er dan niets? Liep men dan niet te loop, eiste men geen maatregelen? En wat deed de Grote Hertog van het Westen, Filips de Goede? Rustte hij niet direct een groot leger uit en stuurde hij de F16’s van de vijftiende eeuw niet subiet oostwaarts om zijn geloofsgenoten te hulp te komen?

Nou, neu.

Dat wil zeggen, de hertog nam zich voor om op termijn een groot offensief te starten tegen de nieuwe machthebbers in Constantinopel. Een nieuwe grote kruistocht moest er komen en hij zwoer, samen met zijn ridders van het Gulden Vlies, vazallen en hovelingen een plechtige eed tijdens een magistraal banket in Rijsel (Lille) om die kruistocht aan te zullen vatten. Zodra de tijd rijp zou zijn, Dieu le veult.

Dat banket en die eed, de befaamde Eed op de Fazant, we hebben het er nu nóg over. Maar tot militaire actie van enige omvang heeft het niet geleid. De Turken bleven waar ze waren, tot op de huidige dag.

Wel danken we aan dat banket, dat gehouden werd op 17 februari 1454, een fantastisch mooi muziekstuk. Filips had zijn hofcomponist, Guillaume Dufay, opdracht gegeven om een treurzang te schrijven op de Val van Constantinopel. Dufay maakte toen de Lamentatio sanctae matris ecclesiae Constantinopolitanae. Naar verluidt werd dit motet tijdens het banket gezongen door een vrouw terwijl zij in een wit gewaad, gezeten op een olifant, de zaal binnenreed. Iedereen was tot tranen toe geroerd en besloot onmiddelijk om het kruis aan te nemen. Voor drama en ultiem effect had de hertog van Bourgondië een groot talent, dat is bekend.

Maar het is een prachtig lied, Dufay had zichzelf weer eens overtroffen. Dit is de tekst:

 

O tres piteulx de tout espoir fontaine,


Pere du filz dont suis mere esplorée,


Plaindre me viens a ta court souveraine,


De ta puissance et de nature humaine,


Qui ont souffert telle durté villaine


Faire à mon filz, qui tant m’a hounourée.

 

Dont suis de bien et de joye separée,


Sans qui vivant veule entendre mes plaints.


A toy, seul Dieu, du forfait me complains,


Du gref tourment et douloureulx oultrage,


Que voy souffrir au plus bel des humains.


Sans nul confort de tout humain lignage.

 

Omnes amici ejus spreverunt eam, non est qui consoletur eam ex omnibus caris ejus.

 

De laatste regel vormt de zogeheten tenor, een langzaam gezongen Latijnse tekst uit de Klaagzangen van Jeremia, die door de Franse tekst heengeweven is. Of de Franse tekst is om de tenor heen geweven, het is maar hoe je het wilt horen. Dufay was een meester in polyfonie.

 

En de muziek vind je hier: bijvoorbeeld deze uitvoering, op Spotify, van de Capella de Ministrers

 

Op YouTube, een mooie uitvoering van het Hilliard Ensemble

https://www.youtube.com/watch?v=chkFXZJb2dw

Read Full Post »

De Mozesput in Dijon. Rechts de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël.  Een engel kijkt toe.

De Mozesput in Dijon. Midden de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël. Een engel kijkt toe. (Foto’s auteur)

In het jaar 1385 arriveerden twee Hollandse beeldhouwers in de Bourgondische hoofdstad Dijon. Claes Sluter en zijn neef Claes die Werve waren oorspronkelijk afkomstig uit Haarlem en hadden de jaren daarvoor in Brussel gewerkt. Nu werden zij door hertog Filips de Stoute (1342-1404) ontboden aan het Bourgondische hof, om daar te komen werken aan de beelden die de grafkerk van de Bourgondische dynastie luister bij moesten zetten.

Deze grafkerk bevond zich op het terrein van de Chartreuse de Champmol, een kartuizerklooster even ten westen van het oude Dijon dat door Filips de Stoute in 1384 was gesticht met het doel om daar een necropolis voor zijn dynastie te vestigen. Vierentwintig monniken zouden daar dag en nacht voor het zielenheil van hem en zijn familie bidden. Er moest een gebouw verrijzen dat in alle opzichten de concurrentie zou kunnen aangaan met de Franse koninklijke grafkapel in Parijs. De hertog liet de beste kunstenaars naar Dijon komen. Ze stonden geheel en al in dienst van de hertog, maar genoten daarentegen een luxeleven waar ze nooit van hadden kunnen dromen.

Claes en Claes stonden aanvankelijk onder de supervisie van de hertogelijke opperbeeldhouwer, maar na diens dood in 1389 nam Claes Sluter de leiding over. De grafmonumenten voor Filips de Stoute en zijn vrouw Margaretha van Male zijn nog te zien in het Museum in Dijon. Het klooster in Champmol werd tijdens de Franse Revolutie met de grond gelijk gemaakt. Op het terrein bevindt zich sinds 1830 een psychiatrisch ziekenhuis.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

Van de beeldhouwwerken resteert nog één stukje, maar dat is dan wel meteen een formidabel monument. Het is de zogeheten Mozesput (Puits de Moïse) die na de Revolutie was gered ter decoratie van de stadstuinen. Gelukkig onderkende men toen ook al de uitzonderlijke kwaliteit van de beelden. Op de Mozesput, eigenlijk de sokkel voor een grotere calvarie, vinden we beelden van zes profeten uit het Oude Testament: Mozes, David, Daniël, Zacharias, Jesaja, en Jeremia. De beelden waren ooit polychroom beschilderd door de beroemde schilder Jean Maelwael. Er zijn nog restjes te zien van die beschildering. Ook waren ze deels verguld en voor Jeremia werd een speciale bril van koper besteld. Die is helaas niet bewaard gebleven. Deze details zijn bekend omdat het volledige archief van de Chartreuse bewaard is gebleven; de bouwgeschiedenis van de Mozesput is daardoor goed te reconstrueren.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

De gezichtsexpressie van de beelden van de profeten is verbijsterend realistisch en vooral menselijk. Niet ten onrechte is Claes Sluter wel vergeleken met Michelangelo, die 100 jaar later leefde. Ook de engeltjes die boven de profeten staan afgebeeld hebben allerlei herkenbare uitdrukkingen, variërend van ontzetting tot angst en ontzag. Claes Sluter en zijn team werkten tussen 1395 en 1405 aan de put en gingen daarna verder met de graftombes voor Filips de Stoute en diens vrouw Margaretha (†1405). Sluter zou dat niet meer lang meemaken, hij overleed in 1406. Het werk is daarna voortgezet door zijn neef Claes die Werve die de monumenten voltooide in 1410.

Koning David (met kroon).

Koning David (met kroon).

De profeet Jeremia (zonder bril)

De profeet Jeremia (zonder bril)

Wanneer je om de Mozesput heenloopt valt op dat de meeste beelden je indringend aankijken. Dit effect zal nog sterker zijn geweest toen de helblauwe ogen er nog op geschilderd waren, maar het restant is nog altijd indrukwekkend. Over de betekenis van de beelden en de attributen die ze bij zich hebben is geschreven door Huizinga in diens Herfsttij der Middeleeuwen (Hoofdstuk 18). Ook de Franse Wikipediapagina biedt uitgebreid informatie. Laten we ons hier daarom beperken tot een beeldengalerij en ons verbazen over de schoonheid van dit alles.

De Mozesput is dagelijks te bezoeken van half tien ’s morgens tot 17 uur ’s middags. Een vriendelijke mevrouw aan de kassa verkoopt entreebiljetten voor slechts 3,50 euro per stuk. Wij waren de eerste bezoekers op een maandagmorgen en het was heel erg rustig.

Read Full Post »

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v-085r (Oxford).

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek plm. 1460, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v (Oxford).

Altijd als ik de naam Yolanthe voorbij zie komen in de media (en dat gebeurt best wel vaak), moet ik aan Yolanthe denken. En dan bedoel ik niet die Yolanthe, maar haar 15de-eeuwse naamgenote Yolanthe van Lalaing.

Toen hertog Filips van Bourgondië in 1433 definitief heerser over de Nederlanden was geworden, was een van de bestuurlijke vernieuwingen die hij doorvoerde het aanstellen van een stadhouder, in het Frans ‘lieu-tenant’, de plaatsvervanger (van de hertog) dus. Tot dusverre waren bestuurders altijd belangrijke edellieden geweest en dat veranderde niet. Wat wel nieuw was, was dat dergelijke hoge bestuurders door hertog Filips voor een tijdelijke periode werden benoemd, ook weer makkelijk vervangen konden worden en ze hun ambt niet konden laten overgaan op hun zoons. Het landsbestuur werd zo losgekoppeld van de oude feodale verhoudingen, één van de belangrijkste vernieuwingen die de Bourgondische hertogen hebben ingevoerd in onze landen.

In 1440 werd een voorname Henegouwse edelman, Willem van Lalaing, heer van Bugnicourt, tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. Dat was net in een periode dat de Hoekse & Kabeljauwse twisten hier weer eens flink waren opgelaaid. Holland en Zeeland waren verdeeld in een pro- en een anti-Bourgondisch kamp. De vorige stadhouder had zich veel te soft opgesteld en het was de bedoeling dat stadhouder Willem van Lalaing (1395-1475) eens stevig orde op zaken zou gaan stellen. Maar in plaats van zich boven de partijen te plaatsen, verbond Willem van Lalaing zich juist met één van beide, namelijk de Hoekse partij. Bovendien ging hij allerlei persoonlijke financiële verplichtingen aan met de voorman van die Hoekse partij, ridder Reinoud van Brederode, de heer van Vianen.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Stadhouder Willem voerde geen goed bestuur in de ogen van het hertogelijk gezag en in 1445 werd hij vervangen. Maar om zijn verplichtingen aan Reinoud van Brederode te kunnen voldoen huwelijkte hij zijn dochter Yolanthe (daar is ze dan!) aan hem uit. In Nederlandse geschriften wordt ze ook wel Yolande van Brederode genoemd, maar in de 15de-eeuwse bronnen zie je toch altijd de naam Yolanthe.

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Van deze Yolanthe is slechts één selfie bekend, namelijk de afbeelding die een boekverluchter maakte voor haar persoonlijke getijdenboek, waarin ze geknield aan de voeten van Maria is te zien. In die devote positie zag ze dan zichzelf, zo stel ik me voor, elke keer als ze haar getijdenboek open sloeg. Yolanthe van Brederode-van Lalaing bracht na de dood van Reinoud in 1473 haar laatste jaren door op kasteel Brederode bij Santpoort en overleed op 15 augustus 1497.

Bron: Anteun Janse, Vrouwenlexicon.

Literatuur: Mario Damen, De Staat van Dienst, Hilversum, 2000. (Over de Bourgondische ambtenaren in de 15de eeuw)

Read Full Post »

Older Posts »