Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

SintAnnenbordTussen 1983 en 1993 woonde ik in de Sint Annenstraat in Amsterdam, een smal straatje tussen de Warmoesstraat en de Oude Zijdsvoorburgwal, in het hart van de Wallen. De Sint Annenstraat maakt deel uit van het Blaauwlakenblok, dit blok omvatte veel verkrotte panden die eind jaren ’70 waren opgekocht door de Bijenkorf met de bedoeling de panden te slopen en er een hoofdkantoor en een parkeergarage te bouwen. Een groep kunstenaars kraakte de panden, knapte ze op en richtte er ateliers en expositieruimtes in (het tegenwoordige W139 is daar nog de erfgenaam van). Zij werden later gesteund door het Amsterdamse gemeentebestuur, onder aanvoering van Jan Schaefer. Toen ik mijn slooppandje in gebruik nam in 1983 waren de gesprekken al vergevorderd en kort daarop werden we allemaal gelegaliseerd.

In deze tijd waren de Amsterdamse Wallen best een ruig gebied. Mijn donkere straatje bevatte minstens 10 bordelen en een sexbioscoop. Er was heel veel drugshandel en -overlast en meer dan eens heb ik agenten met getrokken pistolen iemand zien achtervolgen door de straat. Zelf ben ik ook eens pal voor mijn eigen deur beroofd. Elke vrijdagavond zong het Leger des Heils op de hoek met de Sint Annendwarsstraat geestelijke liederen. Zwervers en alcoholisten konden zich aansluiten en kregen daarna soep in het opvangcentrum aan de gracht. Hun gezang vermengde zich met de hijg- en kreungeluiden uit de bioscoop, als men de deur daar soms openzette. Mijn buurvouw Joke, een ‘prostituee in ruste’ hing vaak uit het raam om voorbijgangers te becommentariëren en wildplassers de huid vol te schelden. Zo ging dat in die tijd. Toeristen waren er ook toen al veel. Dicht bijeen liepen ze dan in een groepje schichtig giechelend achter een gids aan, angstvallig hun tas of camera aan de borst vastklemmend.

Sint Annen1983

De Sint Annenstraat in 1983, gezien in de richting van de Warmoesstraat. Het gestutte pand, nr 28, was mijn huis. Ik woonde op de 1ste en 2de verdieping.

Omdat de belofte van renovatie wel erg lang op zich liet wachten en ik ook andere plannen had en was gaan samenwonen verliet ik in 1993 de Sint Annenstraat voor een mooie, lichte flat op het KNSM-eiland. Nog weer later ging ik zelfs Amsterdam helemaal uit. Af en toe ging ik nog eens kijken en zowaar, rond 2010 was de renovatie goed op gang gekomen. De afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in het gebied. De panden, waaronder de oudste stenen huizen van Amsterdam uit de vroege 16de eeuw, staan er tegenwoordig schitterend bij.

En dit jaar ging het opeens hard. Ik telde onlangs één hippe koffiezaak, een kunstkaartenwinkel, een giftshop met petjes en sjaaltjes, een vintagespulletjeswinkeltje en een soort kaasboetiek. In wat eerst een garage was zaten nu jonge mensen tussen witte muren naar beeldschermen te kijken. Op de hoek met de Warmoesstraat is nieuwbouw gepleegd en daar zit nu ‘De Bakkerswinkel’ in. Drugshotels zijn dicht en het aantal bordelen is teruggebracht tot twee. De bioscoop is al lang geleden gesloten. De Sint Annenstraat is echt een keurige buurt geworden, al zullen sommigen de manier waarop tot de ‘vertrutting’ rekenen. Toeristen komen er graag en nu meer dan ooit, maar of het Leger des Heils er nog elke vrijdagavond psalmen zingt waag ik te betwijfelen.

 

Sint Annen2017

De Sint Annenstraat in oktober 2017. Keurig gedaan, misschien vertrut, maar schoon en veilig. Nr 28 staat weer recht overeind, zonder stutten. Dat wilden we toch?

Advertenties

Read Full Post »

26 Vinetaduin

Het Vinetaduin in Hoek van Holland: bunkers, zendmasten en veel fraaie duinen

Voor mijn werk kom ik vaak in Hoek van Holland. In het duingebied vlak aan zee, grenzend aan de Nieuwe Waterweg bouwden de Duitsers vanaf 1943 een reeks bunkers in het kader van de Atlantikwall. Zij maakten daarbij gebruik van enkele kustbatterijen die al in de jaren ’30 door het Nederlandse leger waren aangelegd en bekend stonden als Batterij V. De Duitsers bouwden het gebied in het Hoekse duin uit tot een van de machtigste steunpunten van de Festung Hoek van Holland en noemden die Vineta. Het duingebied staat tot de dag van vandaag bekend als het Vineta-duin. Met de klemtoon op de e.

Het is een mooie naam, Vineta, en gaat werkelijk ver terug als naam voor een legendarische stad die tussen 800 en 1180 ergens aan de Oostzee moet hebben gelegen. In de sagen en legenden staat hij bekend als een emporium, een rijke handelshaven waar de hele toenmalige wereld zaken kwam doen. Het verhaal gaat dat ergens aan het einde van de 12de eeuw de stad Víneta (met de klemtoon op de i) in één keer verzwolgen werd door de zee in een hevige storm. De chroniqueurs uit de 13de en 14de eeuw wisten er ook bij te vertellen dat dat was gekomen door de verregaande heidense zondigheid van de stad, die immers door niet-christelijke slavische stammen werd bewoond.

Nu is het zeker dat er in de tijd vóór 1200 verschillende havens aan de zuidelijke Oostzeekust hebben gelegen die een spilfunctie vervulden in het toenmalige maritieme handelsnetwerk tussen Franken, Saksen, Vikingen en Slaven. De kroniekschrijver Adam van Bremen (± 1070) noemt één van deze steden Vimne of Jumne, of Julinum, daar bestaat onduidelijkheid over in het handschrift. De Joods-Arabische schrijver Ibrahim ibn Yacub, gezant van de kalief van Córdoba die in het midden van de 10de eeuw een reis maakte door het Duitse Rijk, bericht van een dergelijke grote haven die bij hem als Weltaba bekend staat. Latere chroniqueurs, zoals Helmold van Bosau en zijn 13de-eeuwse navolgers, gooiden alle verhalen op één hoop en maakten er Vineta van, de verloren stad van de slavische Wenden (Veneti) aan de Oostzee, het Baltische Atlantis.

Maar heeft Vineta nu echt bestaan of niet? Men is het er over eens dat de havenstad wel degelijk historisch is, maar dat zijn teloorgang in de golven tot de legenden behoort. Dat verhaal maakt in feite deel uit van de legitimering van de onderwerping van de Slaven door Duitsers tijdens de zogeheten Ostsiedlung gedurende de 12de en 13de eeuw. Overwinnaars schrijven immers de geschiedenis, zoals altijd. De noodlottige ondergang van een hoofdstad past daar mooi bij, maar hoeft niet per se waar te zijn. Er zijn verschillende goede kandidaat-steden aan te wijzen die een historische band met het legendarische Vineta kunnen hebben. De beste papieren heeft vooralsnog Wolin, in de streek West-Pommeren, op de grens van het huidige Polen en Duitsland. Niet alleen werd Wolin in de late Middeleeuwen ook wel Julin genoemd, opgravingen hebben uitgebreide bebouwing aangetoond uit de 9de t/m 11de eeuw.

26 Wollin-1757

De (nu Poolse) stad Wolin op een Zweedse kaart uit 1757.

Mooi om te zien hoe een naam en een plek kunnen rondreizen, van Jumne/Julin, naar Vineta, naar Wolin, naar Hoek van Holland. Overigens vernoemden de Duitsers hun Hoekse vesting niet direct naar de legendarische stad, maar naar een marineschip dat ook al de naam Vineta droeg. De Duitse traditie om schepen Vineta te noemen bestaat namelijk al sinds het midden van de 19de eeuw en duurt voort tot de dag van vandaag. Kijk dus niet raar op als je in de buurt van Bitterfeld bent in Saksen-Anhalt. De verlaten voormalige bruinkoolmijnen heeft men vol water laten lopen en omgetoverd in een waterrijk recreatiegebied. Het water verzwolg de oude mijnen en nu vaart daar ook een Ms Vineta rond, waarop je zelfs kunt trouwen. Eine richtige Traumhochzeit!

Read Full Post »

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

De grote muur van het Romeinse theater in Orange. De toneelvloer, de scaena, wordt in gereedheid gebracht voor het zomerfestival, de Chorégies.

De grote muur van het Romeinse theater in Orange. De toneelvloer, de scaena, wordt in gereedheid gebracht voor het zomerfestival, de Chorégies.

Te midden van alle Oranjegekte vanwege het WK-voetbal in Brazilië, leek een bezoek aan de Zuid-Franse stad Orange, in het dal van de Rhône, om meer dan één reden een goed idee. Ik wilde er altijd al eens heen en ik was hier nu toch.

We hebben allemaal op school geleerd dat Willem van Oranje in 1530 het prinsdom Orange erfde van zijn neef René van Chalon en dat het aan die erfenis te danken is dat nu talloze voetbalsupporters zich in de kleur oranje hijsen. Daar komt het kort gezegd op neer. Orange maakt alweer sinds 1713 volledig deel uit van Frankrijk, maar de titel ‘Prins van Oranje’ wordt nog altijd door ons vorstenhuis gevoerd.

Orange kan terugkijken op een oude geschiedenis. Lang voordat het behoorde aan de familie van Chalon werd het geregeerd door de heren van Baux en daarvoor weer door de graven van Toulouse, directe verwanten van Karel de Grote. Maar vóór alles was het natuurlijk een Romeinse stad, gesticht rond 35 voor Christus door en ten behoeve van de veteranen van het Tweede Legioen. Het was met dit legioen dat Julius Caesar een begin had gemaakt met de verovering van (bijna!) heel Gallië. De stad heette voluit de Colonia Firma Julia Secundanorum Arausio, kortweg Arausio, en ontwikkelde zich tot een belangrijke Romeinse stad. Arausio verwijst naar de naam van de Gallische nederzetting die daar eerder gelegen was.

Er is niet heel veel dat nog aan Arausio herinnert, maar wat er nog wel is slaat je met stomheid. De triomfboog waarop de beslissende veldslag van ‘Het Tweede’ wordt verbeeld – inclusief verslagen en vertrapte Galliërs – is al prachtig, maar de resten van het grote theater zijn echt verbluffend. De enorme theatermuur van 103 meter lang en 36 meter hoog heeft als door een wonder alle eeuwen overleefd en is nog de enige in zijn soort die zo goed als intact is gebleven. Zo’n muur vormt niet alleen de achterwand van de toneelvloer, de scaena, maar was ook gedecoreerd met zuilen en standbeelden, waaronder een 3 meter hoog marmeren beeld van de keizer. Het theater bood plaats aan 10.000 bezoekers en kon volledig worden overdekt met oprolbare doeken, tegen de zon en de regen. In de 19de eeuw is het gerestaureerd, waarbij onder meer het tribunegedeelte weer werd opgebouwd. Sindsdien worden er ook weer voorstellingen gegeven en elk jaar in juli vinden er sinds 1869 de Chorégies plaats, een drukbezocht festival met opera en toneel.

015 theater3

En als je dan even gaat zitten op de grote stenen tribune kost het niet veel moeite om je de Romeinse theatervormen zoals de mime of de komedie voor de geest te brengen. Je hoort het geroezemoes en het geroep van de toeschouwers in de richting van de acteurs. Er zijn verkopers van programmablaadjes en de geur van etenswaren. Misschien klinkt er zelfs geklap en gejuich. En zo komen een Romeins theater en een stadion vol Oranjeklanten toch dichterbij elkaar dan je misschien vermoedde.
Hup Oranje!

Read Full Post »

 

Het anker van het Amsterdamse VOC-schip Batavia, dat in 1629 voor de kust van Australië verging, bevindt zich nog altijd ter plaatse. (Foto Pat Baker | WA Maritime Museum)

Het anker van het Amsterdamse VOC-schip Batavia, dat in 1629 voor de kust van Australië verging, bevindt zich nog altijd ter plaatse. (Foto Pat Baker | WA Maritime Museum)

De maritieme archeologie in Nederland raakt in de versukkeling. De expertise die in de afgelopen 40 jaar werd opgebouwd dreigt te verdampen, door bezuinigingen en gemakzuchtige keuzes, maar vooral door gebrek aan interesse, niet in de laatste plaats van de kant van de politiek.
Henk Dessens, directeur collecties van Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam (vanaf 1 april 2014 tevens waarnemend algemeen directeur) hield onlangs een confronterend betoog tijdens de zogeheten Kroon-Voordracht voor de Stichting Nederlands Museum voor Anthropologie en Praehistorie (SNMAP) op 14 maart 2014 in Amsterdam. De Engelse versie van deze voordracht is ook gepubliceerd als deel 36 in de publicatiereeks van de SNMAP.

Exclusief voor Wel heb je ooit! bieden wij u hier de Nederlandstalige versie van de lezing.

Door Henk Dessens

De aanleiding voor deze bijdrage aan de Kroon-Voordracht van 2014 was een verzoek van het bestuur van de Stichting NMAP om een bespiegelende voordracht te houden over de maritieme archeologie in Nederland en, zo staat het in de opdracht, met name over ‘het gebrek aan (politieke) belangstelling die de maritieme archeologie in Nederland ondervindt’. Een uitnodiging om een lezing te geven krijg ik wel vaker en meestal besluit ik ter plekke en op het moment zelf of ik de uitnodiging wel of niet aanvaard. Maar in dit geval heb ik een weekje bedenktijd gevraagd. Ik zal u uitleggen waarom.

Ik ben geen maritiem archeoloog, zelfs geen archeoloog, en als het om wetenschappelijke prestaties gaat detoneer ik nogal met de andere drie sprekers van vandaag. De overdrachtskant van het vak geschiedenis heeft mij altijd meer aangetrokken dan een wetenschappelijke carrière en zo ben ik in de museologie terecht gekomen. Daar komt nog bij dat Het Scheepvaartmuseum, waar ik werkzaam ben als directeur collecties, zelf niet actief is op het gebied van de maritieme archeologie, omdat voor deze specialistische discipline al speciaal hiervoor in het leven geroepen instituten bestonden en bestaan, op dit moment de afdeling Maritieme Archeologie van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed in Lelystad. Je kunt ook als Scheepvaartmuseum je geld maar een keer uitgeven en doubleren van werkterreinen proberen we te voorkomen. Een echte insider op het gebied van de maritieme archeologie ben ik dus niet.

Toch heb ik, na een weekje nadenken, de opdracht aanvaard. De opdracht werd voor mij een persoonlijke queeste, waarmee ik meer duidelijkheid hoopte te krijgen over de vraag wat de huidige positie en betekenis is van de Nederlandse maritieme archeologie. En gesteld dat de maritieme archeologie inderdaad aan lager wal is geraakt door een gebrek aan belangstelling, wat zijn hiervan dan de oorzaken? Mijn positie als buitenstaander is enerzijds een nadeel, maar anderzijds misschien een voordeel, omdat ik niet gecommitteerd ben aan enig persoonlijk belang bij dit onderwerp.

In mijn bijdrage van vanmiddag besteed ik eerst aandacht aan de culturele context waarvan de maritieme archeologie deel uitmaakt. Ik zal duidelijk proberen te maken waarom brede maatschappelijke aandacht voor maritieme geschiedenis niet vanzelfsprekend is en wil ik u in dat verband het verhaal over de vernieuwing van Het Scheepvaartmuseum vertellen, omdat onze ervaring, wellicht ook voor de maritieme archeologie in Nederland nuttig kan zijn. Daarna presenteer ik u de resultaten van mijn onderzoek, waarvoor ik deskundigen heb geïnterviewd en enige literatuurstudie heb verricht. Ik besluit mijn verhaal met mijn visie op hoe het met de maritieme archeologie in Nederland is gesteld, of veranderingen gewenst zijn en hoe het misschien beter kan.

Maritiem erfgoed in Nederland

Goed, eerst de context. Nederland heeft niet te klagen als het gaat om maritiem erfgoed. Ons land telt alleen al meer dan 50 musea die maritieme collecties beheren. Ik schat dat deze instellingen in totaal minstens 1,2 miljoen collectie-items met een maritieme achtergrond bezitten. De gezamenlijke archiefinstellingen bewaren ook veel maritiem materiaal, denk alleen al aan de 1,4 km VOC-archief. En Nederland telt meer dan 3000 geregistreerde varende monumenten, het hoogste aantal ter wereld. Dat is logisch als we bedenken hoe afhankelijk Nederland altijd van de zee is geweest en hoe belangrijk de maritieme sector was. Ik heb het gevoel dat ik dat de meeste aanwezigen hier niet hoef uit te leggen.

Tot de jaren 1960 was duidelijk zichtbaar dat Nederland nog een maritiem land was. Er werkten tienduizenden mensen in de maritieme sector, de havens waren nog volop aanwezig in het stadsbeeld van Amsterdam en Rotterdam. Daarna veranderde dat sterk. Vanaf 1960 zijn scheepvaart, scheepsbouw en aanverwante bedrijven door allerlei oorzaken veel minder zichtbaar geworden.

Een van die 50 musea is Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, dat, zo mag ik wel zeggen, behoort tot de belangrijkste ter wereld, als we als criteria nemen de omvang, reikwijdte en betekenis van de collectie, de kennis die we in huis hebben zodat we ook prikkelende, toegankelijke en verantwoorde verhalen over de collectie kunnen vertellen, en dan zijn daar nog de criteria van het gebouw en de locatie. Want, een museum is immers meer dan alleen zijn collectie. Het gaat uiteindelijk om de maatschappelijke impact die het museum teweeg brengt. En die begon de directie van het museum eind jaren 1990 zorgen te baren. We ontdekten in Het Scheepvaartmuseum dat in de beleving van steeds meer van onze bezoekers Nederland geen maritiem land meer was. Tegelijk bleek ook dat steeds minder bezoekers nog een min of meer coherent overzicht van de Nederlandse en algemene geschiedenis hadden, met als gevolg dat zij de permanente basisexpositie van 24 zalen niet goed meer konden plaatsen.

Maatschappelijke relevantie

Wat wel succesvol was, in termen van publieksbereik, was het afmeren van het nagebouwde VOC-schip Amsterdam, in 1991 bij het museum. Het aantal bezoekers nam datzelfde jaar meteen toe tot boven de 100.000 en lag in de navolgende jaren steeds rond de 200.000 per jaar. In 2002 trok het museum met een jubileumtentoonstelling over 400 jaar VOC zelfs bijna 230.000 bezoekers. Maritieme geschiedenis spreekt best aan bij een groot publiek, mits je het maar aantrekkelijk presenteert. De rest van het verhaal is de meesten van u wel bekend denk ik. Het Scheepvaartmuseum voerde tussen 2007 en 2011 een complete renovatie van het gebouw en vernieuwing van de museumorganisatie uit, en ook het presentatieconcept, het marketingbeleid en het zakelijke beleid werden veranderd, waarna het museum in oktober 2011 kon worden heropend.

Het museum koos niet voor een verbouwing, maar voor een vernieuwing. Het museum maakte keuzes, en liet dus ook veel weg. Het Scheepvaartmuseum wil ‘Het Zeewaartse Verhaal van Nederland’ vertellen. Dus niet het verhaal van de klompen, tulpen en de molens, over mensen die verscholen zaten achter de beschermende dijken, bang voor het water maar over mensen die erop uittrokken, het avontuur opzochten, de wereld introkken en in contact kwamen met ongeveer alle volkeren en culturen ter wereld, soms goedschiks, soms kwaadschiks. Dit verhaal benadrukt de identiteit van Nederland als een internationaal georiënteerde, ondernemende handelsnatie. Dat is onze bestaansreden als Scheepvaartmuseum. De samenleving inspireren met een verhaal dat gaat over wat Nederland feitelijk is. Dat verhaal is leidend voor al onze publieksprogramma’s. Met dit verhaal haalde het museum in enkele jaren tijd zo’n 80 miljoen euro op, het Ministerie van OCW financierde het gebouw en de installaties, de rest kwam van het bedrijfsleven, fondsen, de eigen ‘Vriendenvloot’ en ook heel veel van particuliere gevers. De bezoekcijfers zijn goed, binnenkort hopen we de 1 miljoenste bezoeker van het vernieuwde SM te mogen begroeten.

Maritieme archeologie op het droge: de opgraving van een schip in Flevoland.

Maritieme archeologie op het droge: de opgraving van een schip in Flevoland. (Foto RCE)

Maritieme archeologie

Om snel een goed overzicht van de maritieme archeologie in Nederland te krijgen heb ik lange gesprekken gevoerd met collega’s die werkzaam zijn in de archeologie en de maritieme archeologie, en daarnaast heb ik enige literatuurstudie verricht. In de gesprekken die ik voerde kwam een tamelijk consistent beeld naar voren en die luidde als volgt: na hoopvolle pogingen om de scheepsarcheologie in Nederland te ontwikkelen tot een volwaardige tak van wetenschap, volgde na de jaren 1990 een periode waarin het vooral bergafwaarts ging, tot op de dag van vandaag. Mijn literatuurstudie bevestigde dit beeld. Alleen de informatie op de website van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed heeft die negatieve ondertoon niet, maar daar kom ik later op terug.
In de interviews en de literatuur werden mij de volgende zaken gewaar.

De implementatie van ‘Malta’
Unaniem waren alle deskundigen het erover eens dat de manier waarop Nederland het Verdrag van Malta heeft toegepast niet goed is voor de maritieme archeologie. Het principe van ‘Malta’ is dat de verstoorder van een bodemarchief verplicht is om archeologisch onderzoek uit te laten voeren. De Nederlandse implementatie van ‘Malta’ houdt in de praktijk ook de aanname in dat behoud ‘in situ’ de beste oplossing is voor het behoud van het erfgoed. Of dit voor de landgebonden archeologie zo is kan ik niet goed beoordelen, maar het is zeker dat dit voor de maritieme archeologie een verkeerde aanname is.
Als bewaren in situ de beste oplossing was voor duurzaam behoud dan zouden opgegraven eeuwenoude schepen zo op de HISWA geplaatst kunnen worden. Bij wijze van spreken. Natuurlijk rot een houten schip en zijn ijzeren onderdelen uiteindelijk gewoon weg. Als je kiest voor behoud in situ dan kies je voor het verloren laten gaan van het object. Waar overigens goede redenen voor kunnen zijn, maar noem het dan ook gewoon zo. Volgens mijn informanten, en dit wordt bevestigd in publicaties, gaan waardevolle wrakken, verloren door natuurlijke processen, zoals erosie, zich verplaatsende zandbanken, maar ook door bodemberoering door vissersschepen die sleepnetten gebruiken. Deze bedreiging speelt zich met name af in de kustwateren met felle getijstromen, zoals de Waddenzee en de Zeeuwse stromen. Over deze specifieke bedreiging van erfgoed is, zo bleek mij, ook uitvoerig gepubliceerd. De moraal van dit verhaal: als je maritiem-archeologisch erfgoed niet systematisch onderzoekt en documenteert, gaat onvervangbaar bronnenmateriaal verloren.

De Nederlandse overheid heeft er voor gekozen om de archeologische onderzoeksverplichting die voortkomt uit het Verdrag van Malta over te laten aan particuliere bedrijven, zowel voor de droge als de natte archeologie. Ik bedacht mij dat de vooruitgang in de archeologische wetenschap in Nederland dus sterk afhankelijk is gemaakt van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening van Nederland. Archeologisch onderzoek lijkt nauwelijks aangestuurd te worden vanuit een centrale onderzoeksvraag die prikkelend kan zijn om brede aandacht los te maken. Er bestaat een Nationale Archeologische Onderzoeksagenda, maar die doorlezend kreeg ik de indruk dat de onderzoeksvragen van waaruit de opgravingsbedrijven werken en hun interpretaties van de vondsten vooral voortkomen uit voorgaande onderzoeken, waardoor het discours bestaat uit een soort kettingreactie van opgravingsrapporten. Dat is niet bevorderend voor als je wil excelleren als wetenschappelijke discipline. En ik constateer dat dit gebrek aan wetenschappelijke koers ook voor de maritieme archeologie geldt, ik kom daar straks nog op terug.

Waardestelling
De tweede geuite klacht van mijn informanten ging over jarenlange bezuinigingen en daardoor gebrek aan financiële middelen om maritiem archeologisch erfgoed systematisch op te sporen en in kaart te brengen, te beschermen, te onderzoeken en te interpreteren. De hele opgravingsstaf van RCE is wegbezuinigd. Het grootste aaneengesloten maritiem-archeologische vondstcomplex in Nederland wordt gevormd door de drooggelegde IJsselmeerpolders. Hier liggen honderden scheepswrakken van de Middeleeuwen tot de 20ste eeuw. Uniek in de wereld, maar zelfs hier verricht Nederland geen systematisch onderzoek.

Door een gebrek aan budgetten worden de weeffouten van de manier waarop ‘Malta’ in Nederland is geïmplementeerd, dus niet hersteld. Het Rijk heeft de zorg voor onze monumenten vooral naar de gemeenten gedelegeerd. Volgens de Monumentenwet zijn gemeenten verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren voor bijv. een bestemmingsplan wordt vastgesteld, en de wet maakt geen onderscheid tussen droge en natte bodems. Dat is verontrustend omdat alleen al voor het IJsselmeer grote projecten op stapel staan, die de waterbodem ingrijpend zullen verstoren, bijvoorbeeld grootschalige maatregelen om het IJsselmeerwater minder troebel te maken en de aanleg van de zogenaamde Marker Wadden langs de dijk Enkhuizen-Lelystad. Als ik het goed heb begrepen hebben gemeentes nauwelijks of niet budget vrijgemaakt om hun waterbodems systematisch in kaart te brengen op archeologische waarden.

Sportduikers
Een derde klacht hangt samen met de tweede. Door de uitvinding van scuba-duikapparatuur is na de Tweede Wereldoorlog het sportduiken voor grote groepen mensen bereikbaar geworden. En groepen sportduikers zijn, vanuit allerlei motieven, maar al te graag bereid om het gat dat de overheid laat vallen op te vullen. Ze zijn vaak goed georganiseerd, zijn vaak serieus geïnteresseerd in maritieme geschiedenis, ze beschikken over budget, materieel, en vrije tijd en ze hoeven niet te voldoen aan kostbare ARBO-eisen, die voor de professionele duikers heel streng zijn geworden. Officieel mag je als sportduiker best boven een wrak duiken, mits je niets verstoort of meeneemt.

Maar zeg nou eerlijk: wat zou u doen als u interesse heeft in maritieme geschiedenis, en u ziet tijdens het duiken op een wrak delen van de lading en van de scheepsinventaris liggen, in goede staat, waarvan u ook wel weet dat die tijdens een volgende herfststorm verdwenen zullen zijn, of dat de volgende sportduiker het misschien meeneemt. En u weet als sportduiker ook dat noch het Rijk, noch de gemeente zich over deze site zullen bekommeren en ook weet u dat er in de afgelopen jaar zo enorm bezuinigd is op de waterpolitie dat de pakkans nihil is. En u weet ook dat de officiële archeologen eieren voor hun geld hebben gekozen en bereid zijn met u samen te werken, om erger te voorkomen. Ik heb twee jaar geleden een bijdrage mogen schrijven voor een boek over een Friese tjalk die in de achttiende eeuw met een lading bakstenen en andere grofkeramiek plotseling gezonken was nabij de haveningang van Hoorn. Tijdens de kennismakingsbijeenkomst met de andere auteurs en archeologische onderzoekers kwam er een aantal fraaie voorwerpen uit dit wrak op tafel. Enigszins tot mijn verbazing kwamen ze niet uit de tas van de archeologen maar die van een sportduiker die lid was van de plaatselijke duikvereniging. Neem het hen eens kwalijk.

Opleiding
Een vierde klacht was dat Nederland geen integrale academische opleiding kent voor de maritieme archeologie. Die klacht is juist denk ik. André van Holk is de enige hoogleraar maritieme archeologie in Nederland, met een part-time aanstelling en met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, hij is hoogleraar maritieme archeologie, vanwege de provincie Flevoland, aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 2012 boden vier universiteiten en de RCE studenten een bachelorvak maritieme archeologie aan, ter gelegenheid van het grote International Symposium on Boat and Ship Archeology in Amsterdam. Maar daar moeten we het zo’n beetje mee doen. Ik heb begrepen dat een student die professioneel maritiem archeoloog wil worden het beste naar het buitenland kan vertrekken. Bijvoorbeeld naar de Universiteit van Zuidelijk Denemarken in Esbjerg, daar kan hij terecht bij prof. Thijs Maarleveld.

Samenvatting
Tijdens mijn onderzoek begon bij mij een beeld te ontstaan:

  • dat we voor de maritieme archeologie eigenlijk niet goed weten wat we hebben
  • dat wat er is op grote schaal wordt bedreigd.

De gesprekken met de deskundigen samenvattend concludeerde ik dat de implementatie van ‘Malta’ in Nederland het maritieme erfgoed bedreigt. Natuurlijke processen doen hun werk en slopen ons erfgoed. Gemeenten worden niet gemaand hun werk te doen. Er bestaat geen betrouwbaar nationaal overzicht van potentieel waardevolle locaties in Nederland. Sportduikers kunnen hun gang gaan en voorwerpen meenemen, vaak vanuit integere historische nieuwsgierigheid, maar het blijft een merkwaardige gang van zaken. Er bestaat geen geregisseerd onderzoeksprogramma, vanuit universiteiten of de RCE, het blijft bij incidentele opgravingsrapporten. En tot slot heeft Nederland geen integrale academische opleiding tot maritiem archeoloog.
Maar ook kreeg ik de indruk dat de maritieme archeologie in Nederland niet goed in staat is geweest om te formuleren wat het de samenleving te bieden heeft.

De rol van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Dan wil ik nu ingaan op de wijze waarop de maritieme archeologie vanuit het Rijk wordt aangestuurd. Op rijksniveau valt de maritieme archeologie tegenwoordig onder de RCE. Dit heeft een lange voorgeschiedenis, die ik hier omwille van de tijd kort samenvat. Door staatssecretaris Nuis werd in 1995 het Nederlands Instituut voor Scheepsarcheologie NISA in het leven geroepen. Van Ketelhaven verhuisde dit instituut naar een nieuwe locatie in Lelystad. Het NISA kreeg de benodigde bassins, apparatuur en medewerkers om archeologisch hout te kunnen conserveren. Er kwam een onderzoeksstaf. Men ontwikkelde plannen voor de maritiem-archeologische monumentenzorg, maar kreeg naar eigen zeggen onvoldoende middelen om die plannen te realiseren. In 1996 zette het NISA nog wel een eigen duikteam op van acht personen, maar dat werd in 2006 wegens bezuinigingen en wegens ‘Malta’ weer opgedoekt. Ook het ‘droge’ archeologische veldteam van het NISA was toen al wegbezuinigd. Daarna werd het NISA opgeheven en ging het op in de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek ROB en later in de RCE.

De RCE heeft nu dus een afdeling Maritieme Archeologie en wil, zo las ik op de website, een belangrijke rol spelen bij de beleidsvorming in Nederland inzake het maritiem archeologisch erfgoed. Een van de taken is het beheer van het Nationaal Depot voor Scheepsarcheologie in Lelystad. Verder is er een voor het publiek toegankelijke museale presentatie en heeft de afdeling enkele onderzoekers in dienst.

Ook de afdeling Maritieme Archeologie presenteert zich op de website van de RCE. Ik heb, de teksten op de website uitvoerig gelezen. Het maritieme deel van de site begint met een inleidende tekst die op zijn zachtst gezegd enige redactionele aandacht kan gebruiken, maar dat terzijde. Belangrijker is dat de overige teksten geen weloverwogen beleidskeuzes formuleren. Onder het kopje ‘Onderzoek’ wordt bijvoorbeeld vermeld dat de Rijksdienst géén onderzoeksinstituut is, maar wél aan onderzoek doet omdat de dienst serieus wil worden genomen als gesprekspartner. Gewoon ter informatie wil ik nu noemen dat de volgende webpagina een lijstje bevat van lopende onderzoeken, en daarna volgen pagina’s over het bouwen van scheepsmodellen om het onderzoek te faciliteren, informatie over educatieve programma’s, de faciliteiten waarover men beschikt om scheepshout en andere zaken te conserveren, informatie over het depot met ongeveer 33.000 voorwerpen, en de bezoekmogelijkheden van de presentaties.

Veel aandacht op de site krijgt het ‘Programma Maritiem’, dat acht doelstellingen formuleert. Afgezien van typefouten en een gebrekkige schrijfstijl moet ik helaas vaststellen dat ook dit programma inhoudelijk niet echt duidelijk is. Ik herkende geen duidelijke keuzes en geen probleemstelling, er wordt dus ook geen niche geformuleerd van waaruit onderzoek gelegitimeerd wordt. Niet voor het nationale beleid maar ook niet voor de internationale ambities, waarvan ik mij ook afvraag hoe realistisch die zijn in het licht van de bescheiden budgetten; en dan laat ik maar buiten beschouwing of men in landen als Zweden en Finland, wel zit te wachten op Nederlandse archeologen die daar op fluitschepen willen duiken.

Mijn conclusie is dat ik u op basis van de website van de afdeling Maritieme Archeologie van de RCE niet duidelijk kan uitleggen welke rol de dienst, en daarmee dus de Minister van OCW vervult of wil gaan vervullen voor de maritieme archeologie in Nederland.

Ik krijg de indruk dat wat de afdeling doet een min of meer toevallige optelsom is van de restanten die voorgaande diensten onder zich hadden, bij de ROB, de vm. Afdeling Onderwaterarcheologie van het Ministerie van WVC, de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en later het NISA. Ik mis hier focus, focus op doelstellingen en focus op beleid.

Dat neemt niet weg dat ik denk dat de Rijksoverheid, dus de RCE, onmisbaar is voor een basaal, serieus opsporings-, beschermings-, opgravings- en conserveringsprogramma voor het maritiem-archeologische erfgoed in Nederland. Om de weeffouten van ‘Malta’ te repareren, om bedreigd erfgoed te redden en om serieus en inspirerend wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken.

Conclusies

Mijn conclusie is vooral dat de maritieme archeologie in Nederland stuurloos is. De maritieme archeologie heeft geen wetenschappelijke ‘niche’ die de samenleving ervan overtuigt dat deze discipline de moeite waard is om in te investeren. Er is ook geen ‘corporate story’, om een marketingterm te gebruiken. Er is geen Zeewaarts Verhaal zoals bijv HSM dat hanteert als sturend principe. Ik kreeg de indruk dat veel onderzoek tot nu toe gericht was op het definiëren van scheepstypes of anderszins scheepstechnisch van aard was. Dat zal af en toe best nuttig en nodig zijn, maar als Het Scheepvaartmuseum iets heeft geleerd dan is het dat de Nederlander niet geïnteresseerd is in technische exposés, men is vooral geïnteresseerd in verhalen vooral over mensen, verhalen die aanspreken en waarin men zich herkent.

Ik denk dat de Rijksoverheid bij de ontmanteling van de maritieme archeologie zeker boter op zijn hoofd heeft, maar dat de Rijksoverheid niet meer heeft gedaan dan opportunistisch reageren op een verdeelde en in zichzelf gekeerde sector, die zelf niet goed in staat was zijn eigen bestaansrecht helder te formuleren. Keuzes maken en die communiceren is noodzakelijk als je wilt excelleren en draagvlak wil verwerven. De sector zou bijv. kunnen beginnen om vanuit een Corporate Story één, desnoods twee kennisdomeinen te formuleren die kansrijk zijn voor een inspirerend wetenschappelijk discours.

En dan de rol van het Rijk. Het Verdrag van Malta ten spijt, de commitment van het Rijk is onmisbaar om een goed functionerende maritieme archeologie in Nederland in stand te houden. Het is onvermijdelijk dat het Rijk drie zaken borgt als we in Nederland de maritieme archeologie serieus willen uitoefenen en ervoor zorgt dat dit integraal gebeurt, dus niet vanuit eigen zelfstandige eilandjes:

  • Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.
  • Beleidsvorming en -handhaving.
  • Regisseren van een nationaal programma voor het opsporen, opgraven en documenteren van bronnenmateriaal.

Het optuigen van een volwaardige academische thuisbasis is naar mijn overtuiging cruciaal om een goed functionerende sector van de grond te krijgen. Scherp gesteld: er zou geen cent aan maritieme archeologie besteed mogen worden zonder een academisch programma, dat tot stand komt en wordt onderhouden vanuit academische normen, – dus een academisch programma dat sturend is voor het beleid van opsporen, opgraven, conserveren, documenteren en vervolgens wetenschappelijk interpreteren en betekenis geven. Het Scheepvaartmuseum is graag bereid om in zo’n nationaal model te participeren bijvoorbeeld bij de valorisatie van de resultaten van dat onderzoek. Want daar zijn wij goed in.

In zo’n model blijft de RCE essentieel. Wel zou de rol van RCE aangescherpt kunnen worden. In elk geval geen zelfstandig wetenschappelijk onderzoek verrichten. Dat kan een universiteit, waar de nationale en internationale spelregels voor wetenschappelijk onderzoek zijn geïmplementeerd, veel beter. De RCE zou m.i. ook geen depotcollecties en museale presentaties hoeven te onderhouden. Daar zijn musea voor. De RCE is wel van essentieel belang voor consistente beleidsvorming en -handhaving en het regisseren van een nationaal programma voor het veilig stellen en documenteren van maritiem-archeologische sites en vondsten.

Geachte leden van het bestuur, dames en heren. Dit is het resultaat van mijn zoektocht. Ik ben mij ervan bewust dat ik slechts de grote lijn heb weergegeven en veel nuances over het hoofd heb gezien. Ook mijn aanbevelingen voor de toekomst zijn slechts schetsmatig. Ik hoop dat u er begrip voor dat ik voor mijn onderzoek een beperkte hoeveelheid tijd beschikbaar had.
Ik wil iedereen bedanken die bereid was mij openhartig te woord te staan. Ik heb hen anonimiteit beloofd, wat de reden is dat zij niet in de publicatie van deze voordracht worden genoemd. Tot slot hoop ik dat ‘Het Zeewaartse Verhaal van Nederland’ in de toekomst een stevige impuls zal krijgen van de maritieme archeologie.

Read Full Post »

Een evenhoghe, middeleeuws belegeringswerktuig. Bron: Besançon, BM ms 1360.

Een evenhoghe, middeleeuws belegeringswerktuig. Bron: Besançon, BM ms 1360.

Enige tijd geleden twitterde de Leidse mediëvist Erik Kwakkel (@Erik_Kwakkel) wat afbeeldingen van middeleeuws wapentuig. De bron hiervan was een 15de-eeuws handschrift uit de stadsbibliotheek van Besançon, de Bellifortis van de Duitse auteur Konrad Keyser. De plaatjes van tal van belegeringswerktuigen stonden keurig gedigitaliseerd op een rij, maar, helaas, een beschrijving ontbrak. Nu is het best lastig om al die, soms fantasievol weergegeven, machines op naam te brengen, maar voor sommige is dat best te doen, zeker wanneer we er Nederlandse verhalende bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw bijpakken.

Het apparaat dat hierboven staat afgebeeld wordt in middelnederlandse bronnen een evenhoghe genoemd. Deze prachtige term drukt precies uit wat het is: een bouwwerk om even hoog te komen met de muren van een burcht of stad, zodat men makkelijker projectielen naar binnen kon schieten. Wij zouden zeggen: een belegeringstoren.

De evenhoghe was een tot in de vijftiende eeuw veel gebruikt werktuig. Voordat de muren werden ‘ge-enterd’ schoten boogschutters vanuit de hoogte hun pijlen af op de belegerden.
Die boogschutters, althans die op het Europese vasteland, maakten voornamelijk gebruik van diverse soorten kruisbogen, ook armborsten of arbalesten genoemd. Ook daar geeft de Bellifortis een paar mooie voorbeelden van. Volgende keer: hoe pomp ik een slotgracht leeg.

Diverse soorten pijlen.

Diverse soorten pijlen.

Kruisboog, in Nederlandse bronnen armborst genoemd.

Kruisboog, in Nederlandse bronnen armborst genoemd.

Read Full Post »

Drie jaar geleden schreef ik een stukje over “Zie de maan schijnt door de bomen” in het Oud-Grieks. Het heeft even geduurd, maar nu is er dan eindelijk de lang verwachte update, met alle coupletten en een linkje naar een site waar Latijnse en Griekse versies van de liedjes staan.

Wel heb je ooit!

Toen ik nog op het gymnasium zat leerden wij ooit het Sinterklaaslied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ in het Grieks. De maker was meen ik een oude leraar klassieke talen, die ook ooit de Ilias in het Nederlands had vertaald.

Hier komt het.

Διὰ δένδρων ἡ σελήνη,
ἅλις φίλοι θορύβου.
Ἦλθεν ἑσπέρα ἡ κλείνη,
ἑσπέρα Νικολάου.
πάλλεται καρδία δὴ,
τίνι πέμμα, τίνι μή.

En voor wie het Grieks niet machtig is, hier de transcriptie:

Dia dendroon hè selènè
halis philoi thorubou
èlthèn hespera hè kleinè
hespera Nikolaou
palletai kardia dè
tini pemma, tini mè  (laatste 2 regels herhalen).

Update, 21 november 2013

En hier het 2de en 3de couplet van Dia Dendroon,  met dank aan John Rijswijk (zie comments):

ἕξει τὸ μέρος ἕκαστος,
τρωκτέα καὶ ἁπαλά·
ποικίλος ὁ Νευρόσπαστος
παίξεται πηδήματα·
ἀλλ’, αἰαῖ, οἷον πάθος
ῥαπὶς ἀντὶ πέμματος!

ἀλλ’ οὐ μὴ νῦν αἰάζωμεν·
χρηστοὶ πάππα…

View original post 31 woorden meer

Read Full Post »

Older Posts »