Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Middeleeuwen’ Category

wimiiflov
Graaf Willem II (1234-1256) en zijn zoon Floris V (1254-1296), twee beroemde graven van Holland. Paneel uit de portrettengalerij van de Hollandse graven in het stadhuis van Haarlem (eind 15de eeuw).

Voor mij, die nog op een tamelijk ouderwetse wijze middelbaar onderwijs heeft gehad en later geschiedenis is gaan studeren -middeleeuwse geschiedenis zelfs- is het begrip ‘het graafschap Holland’ volkomen gesneden koek. Ik heb nog op school geleerd dat het graafschap de middeleeuwse voorloper was van de Nederlandse staat, dat er door tal van verwikkelingen, zoals de 80-jarige oorlog, een andere staatsvorm ontstond – de Republiek- en dat die in 1813 werd opgevolgd door het Koninkrijk der Nederlanden, even kort door de bocht gezegd. Het verbaasde me daarom nogal toen ik er onlangs achter kwam dat dergelijke basiskennis lang niet bij iedereen aanwezig is. Goed, wanneer je nú de straat op loopt en de eerste 10 voorbijgangers zou vragen: ‘Kent u het graafschap Holland’, zou je in zeker 9 gevallen wazige blikken ontmoeten. Bij het grote publiek is het begrip behoorlijk onbekend, dat wil ik wel geloven, maar dat ‘het graafschap Holland’ ook bij academici en iets jongere collega’s op niet meer dan een vage notie kan rekenen, dat had ik niet verwacht.

Mijn moeder (geboren in 1922)  kon nog moeiteloos via een ezelsbruggetje alle graven uit het Hollandse Huis opsommen: Dikke, dikke, Arnoud, dikke, dikke Flo. Dik Flo, Dik Flo, dikke Ada, Wim Flo, Wim Flo, Jan Eén. Ikzelf heb dat rijtje van Dirken, Willems en Florissen al niet meer hoeven leren en vandaag de dag is kennis over het graafschap Holland tot het domein van een select gezelschap historisch specialisten gaan behoren. De groep die het graafschap Holland nog op school heeft moeten leren wordt allengs kleiner.

Wat is er gebeurd? Waarom kennen velen het graafschap Holland niet meer zoals dat lange tijd wel gebruikelijk was? Blijkbaar was er de laatste jaren minder behoefte aan ‘Holland’, zo zou je kunnen veronderstellen. Het wordt niet meer standaard onderwezen op middelbare scholen, hooguit nog in projectmatige vorm. ‘Holland’ was daarvoor een begrip dat op bepaalde momenten in de geschiedenis goed van pas kwam, vanuit het oogpunt van nation building, van identiteit of van nationalisme. Of alles tegelijk, de late 19de eeuw was er sterk in om zijn historische wortels te verheerlijken vanuit een nationaal perspectief. Zoiets blijft decennia doorwerken en dan is het begrijpelijk dat de schoolboekjes die scholieren zoals mijn moeder in de jaren ’30 te zien kregen nog veel 19de-eeuws ‘nationalistisch’ Holland bevatten.

De geleerden die in de late 16de eeuw de ideologische kant van de oorlog tegen Spanje vorm gaven hebben evenzeer bijgedragen aan een traditioneel Holland-begrip. Zij moesten immers een land bedenken dat in opstand kwam tegen zijn wettige heerser en grepen niet alleen terug op een gedroomd Bataafs verleden, maar ook op het graafschap Holland dat in die tijd feitelijk nog bestond en in hun ogen alleen een andere soeverein nodig had.

Het graafschap Holland heeft werkelijk bestaan, maar is in veel opzichten ook een constructie, waarvan de vorm en betekenis varieert met de tijd. Door de eeuwen heen schept men telkens een ander Holland, al naar gelang de behoefte aan een voorbeeld uit het verleden. En kennelijk was die behoefte de laatste decennia verminderd.De schoolboekjes besteedden meer aandacht aan grote internationale thema’s, zoals kolonialisme of migratiestromen dan aan de geschiedenis van één bepaalde regio in het huidige Nederland. En parate feitenkennis, zoals de namen van de opeenvolgende graven, speelt al helemaal een ondergeschikte rol.

Tot opeens het jaar 2018 in beeld komt en politici en beleidsmakers in West-Nederland zich gaan afvragen of er de komende jaren nog iets te herdenken valt. En dan is het Bingo! Want was het niet zo dat in 1018 een lokale mannetjesputter, de graaf van Holland, in de buurt van Vlaardingen een compleet Duits ridderleger in de pan had gehakt? Stond deze graaf Dirk III daarmee niet direct aan de basis van de Hollandse onafhankelijkheid en de Hollandse identiteit? En kunnen we daarom niet binnenkort het 1000-jarig bestaan van Holland vieren? Zeg maar?

Identiteitsconstructie is een belangrijk item in de moderne geschiedschrijving. Door de studie van het verleden, in een gewenste context, voorziet men zichzelf van een bepaalde historische identiteit en die behoefte is onverminderd groot. Juist ook nu, zou je kunnen zeggen. Autochtonen willen hun positie bepalen tegenover nieuwkomers, maar tegelijk willen we de nieuwkomers ook iets vertellen over de oorsprong van het land waar ze in terecht zijn gekomen. Historische identiteit kan zowel afstand scheppen als verbinden. Grotere politieke eenheden, zoals de Europese Unie, zetten het traditionele nationalistische zelfbeeld onder druk, maar zorgen er ook voor dat mensen gaan zoeken naar andere, soms oudere, culturele verbanden. De zoektocht naar de Hollandse identiteit en zijn middeleeuwse wortels is weer helemaal actueel. En daarom zal ik de komende tijd in diverse blogs me eens wat vaker gaan bezighouden met het middeleeuwse graafschap Holland.
Het is in dit wat theoretische kader natuurlijk niet écht belangrijk en mogelijk zelfs wat triviaal, maar zou het toch niet aardig zijn als er binnenkort weer wat meer Hollanders zouden zijn die kunnen opsommen wie hun heersers van weleer waren?

Dikke, dikke Arnoud, dikke, dikke Flo...

(Wie meer wil weten over de afzonderlijke graven van het graafschap Holland tussen 900 en -formeel- 1581, lees vooral het boek van Dick de Boer en Erik Cordfunke, Graven van Holland uit 2010.)

Advertenties

Read Full Post »

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

Read Full Post »

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.

Read Full Post »

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Read Full Post »

De Val van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Belegering van Constantinopel, 1453. Toegeschreven aan Philippe de Mazerolles, 3e kwart 15de eeuw. Bibl. Nat. de France.

Nu de barbaren van de IS op de poorten van de beschaving beuken en een spoor van bloed en geweld door het Midden-Oosten trekken, gaan onze gedachten als vanzelf uit naar het jaar 1453. De Osmaanse Turken hadden de stad Constantinopel, de oude hoofdstad van het Romeinse Rijk, die parel van beschaving, al maanden in de tang en namen die uiteindelijk in op 29 mei 1453. Het Oost-Romeinse Rijk, of wat daar van over was, was gevallen en voor sommigen kwam daarmee een einde aan 2000 jaar Romeinse beschaving.

Maar hoe ervoer men toen in West-Europa die val van Constantinopel? Wat ging er door ze heen, om zo te zeggen? Wel, volgens deze auteur waren de gevolgen eigenlijk niet zo groot als ze door latere geschiedschrijvers wel zijn voorgesteld. Er ging weliswaar – even – een schok door het Christelijke Westen, maar het leven ging door en men leerde om te gaan met die nieuwe Turkse macht aan het oostelijk uiteinde van Europa.

Gebeurde er dan niets? Liep men dan niet te loop, eiste men geen maatregelen? En wat deed de Grote Hertog van het Westen, Filips de Goede? Rustte hij niet direct een groot leger uit en stuurde hij de F16’s van de vijftiende eeuw niet subiet oostwaarts om zijn geloofsgenoten te hulp te komen?

Nou, neu.

Dat wil zeggen, de hertog nam zich voor om op termijn een groot offensief te starten tegen de nieuwe machthebbers in Constantinopel. Een nieuwe grote kruistocht moest er komen en hij zwoer, samen met zijn ridders van het Gulden Vlies, vazallen en hovelingen een plechtige eed tijdens een magistraal banket in Rijsel (Lille) om die kruistocht aan te zullen vatten. Zodra de tijd rijp zou zijn, Dieu le veult.

Dat banket en die eed, de befaamde Eed op de Fazant, we hebben het er nu nóg over. Maar tot militaire actie van enige omvang heeft het niet geleid. De Turken bleven waar ze waren, tot op de huidige dag.

Wel danken we aan dat banket, dat gehouden werd op 17 februari 1454, een fantastisch mooi muziekstuk. Filips had zijn hofcomponist, Guillaume Dufay, opdracht gegeven om een treurzang te schrijven op de Val van Constantinopel. Dufay maakte toen de Lamentatio sanctae matris ecclesiae Constantinopolitanae. Naar verluidt werd dit motet tijdens het banket gezongen door een vrouw terwijl zij in een wit gewaad, gezeten op een olifant, de zaal binnenreed. Iedereen was tot tranen toe geroerd en besloot onmiddelijk om het kruis aan te nemen. Voor drama en ultiem effect had de hertog van Bourgondië een groot talent, dat is bekend.

Maar het is een prachtig lied, Dufay had zichzelf weer eens overtroffen. Dit is de tekst:

 

O tres piteulx de tout espoir fontaine,


Pere du filz dont suis mere esplorée,


Plaindre me viens a ta court souveraine,


De ta puissance et de nature humaine,


Qui ont souffert telle durté villaine


Faire à mon filz, qui tant m’a hounourée.

 

Dont suis de bien et de joye separée,


Sans qui vivant veule entendre mes plaints.


A toy, seul Dieu, du forfait me complains,


Du gref tourment et douloureulx oultrage,


Que voy souffrir au plus bel des humains.


Sans nul confort de tout humain lignage.

 

Omnes amici ejus spreverunt eam, non est qui consoletur eam ex omnibus caris ejus.

 

De laatste regel vormt de zogeheten tenor, een langzaam gezongen Latijnse tekst uit de Klaagzangen van Jeremia, die door de Franse tekst heengeweven is. Of de Franse tekst is om de tenor heen geweven, het is maar hoe je het wilt horen. Dufay was een meester in polyfonie.

 

En de muziek vind je hier: bijvoorbeeld deze uitvoering, op Spotify, van de Capella de Ministrers

 

Op YouTube, een mooie uitvoering van het Hilliard Ensemble

https://www.youtube.com/watch?v=chkFXZJb2dw

Read Full Post »

De Mozesput in Dijon. Rechts de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël.  Een engel kijkt toe.

De Mozesput in Dijon. Midden de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël. Een engel kijkt toe. (Foto’s auteur)

In het jaar 1385 arriveerden twee Hollandse beeldhouwers in de Bourgondische hoofdstad Dijon. Claes Sluter en zijn neef Claes die Werve waren oorspronkelijk afkomstig uit Haarlem en hadden de jaren daarvoor in Brussel gewerkt. Nu werden zij door hertog Filips de Stoute (1342-1404) ontboden aan het Bourgondische hof, om daar te komen werken aan de beelden die de grafkerk van de Bourgondische dynastie luister bij moesten zetten.

Deze grafkerk bevond zich op het terrein van de Chartreuse de Champmol, een kartuizerklooster even ten westen van het oude Dijon dat door Filips de Stoute in 1384 was gesticht met het doel om daar een necropolis voor zijn dynastie te vestigen. Vierentwintig monniken zouden daar dag en nacht voor het zielenheil van hem en zijn familie bidden. Er moest een gebouw verrijzen dat in alle opzichten de concurrentie zou kunnen aangaan met de Franse koninklijke grafkapel in Parijs. De hertog liet de beste kunstenaars naar Dijon komen. Ze stonden geheel en al in dienst van de hertog, maar genoten daarentegen een luxeleven waar ze nooit van hadden kunnen dromen.

Claes en Claes stonden aanvankelijk onder de supervisie van de hertogelijke opperbeeldhouwer, maar na diens dood in 1389 nam Claes Sluter de leiding over. De grafmonumenten voor Filips de Stoute en zijn vrouw Margaretha van Male zijn nog te zien in het Museum in Dijon. Het klooster in Champmol werd tijdens de Franse Revolutie met de grond gelijk gemaakt. Op het terrein bevindt zich sinds 1830 een psychiatrisch ziekenhuis.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

Van de beeldhouwwerken resteert nog één stukje, maar dat is dan wel meteen een formidabel monument. Het is de zogeheten Mozesput (Puits de Moïse) die na de Revolutie was gered ter decoratie van de stadstuinen. Gelukkig onderkende men toen ook al de uitzonderlijke kwaliteit van de beelden. Op de Mozesput, eigenlijk de sokkel voor een grotere calvarie, vinden we beelden van zes profeten uit het Oude Testament: Mozes, David, Daniël, Zacharias, Jesaja, en Jeremia. De beelden waren ooit polychroom beschilderd door de beroemde schilder Jean Maelwael. Er zijn nog restjes te zien van die beschildering. Ook waren ze deels verguld en voor Jeremia werd een speciale bril van koper besteld. Die is helaas niet bewaard gebleven. Deze details zijn bekend omdat het volledige archief van de Chartreuse bewaard is gebleven; de bouwgeschiedenis van de Mozesput is daardoor goed te reconstrueren.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

De gezichtsexpressie van de beelden van de profeten is verbijsterend realistisch en vooral menselijk. Niet ten onrechte is Claes Sluter wel vergeleken met Michelangelo, die 100 jaar later leefde. Ook de engeltjes die boven de profeten staan afgebeeld hebben allerlei herkenbare uitdrukkingen, variërend van ontzetting tot angst en ontzag. Claes Sluter en zijn team werkten tussen 1395 en 1405 aan de put en gingen daarna verder met de graftombes voor Filips de Stoute en diens vrouw Margaretha (†1405). Sluter zou dat niet meer lang meemaken, hij overleed in 1406. Het werk is daarna voortgezet door zijn neef Claes die Werve die de monumenten voltooide in 1410.

Koning David (met kroon).

Koning David (met kroon).

De profeet Jeremia (zonder bril)

De profeet Jeremia (zonder bril)

Wanneer je om de Mozesput heenloopt valt op dat de meeste beelden je indringend aankijken. Dit effect zal nog sterker zijn geweest toen de helblauwe ogen er nog op geschilderd waren, maar het restant is nog altijd indrukwekkend. Over de betekenis van de beelden en de attributen die ze bij zich hebben is geschreven door Huizinga in diens Herfsttij der Middeleeuwen (Hoofdstuk 18). Ook de Franse Wikipediapagina biedt uitgebreid informatie. Laten we ons hier daarom beperken tot een beeldengalerij en ons verbazen over de schoonheid van dit alles.

De Mozesput is dagelijks te bezoeken van half tien ’s morgens tot 17 uur ’s middags. Een vriendelijke mevrouw aan de kassa verkoopt entreebiljetten voor slechts 3,50 euro per stuk. Wij waren de eerste bezoekers op een maandagmorgen en het was heel erg rustig.

Read Full Post »

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v-085r (Oxford).

Yolanthe van Lalaing knielt voor Maria, Getijdenboek plm. 1460, Ms Bodleian Douce 93, fol. 084v (Oxford).

Altijd als ik de naam Yolanthe voorbij zie komen in de media (en dat gebeurt best wel vaak), moet ik aan Yolanthe denken. En dan bedoel ik niet die Yolanthe, maar haar 15de-eeuwse naamgenote Yolanthe van Lalaing.

Toen hertog Filips van Bourgondië in 1433 definitief heerser over de Nederlanden was geworden, was een van de bestuurlijke vernieuwingen die hij doorvoerde het aanstellen van een stadhouder, in het Frans ‘lieu-tenant’, de plaatsvervanger (van de hertog) dus. Tot dusverre waren bestuurders altijd belangrijke edellieden geweest en dat veranderde niet. Wat wel nieuw was, was dat dergelijke hoge bestuurders door hertog Filips voor een tijdelijke periode werden benoemd, ook weer makkelijk vervangen konden worden en ze hun ambt niet konden laten overgaan op hun zoons. Het landsbestuur werd zo losgekoppeld van de oude feodale verhoudingen, één van de belangrijkste vernieuwingen die de Bourgondische hertogen hebben ingevoerd in onze landen.

In 1440 werd een voorname Henegouwse edelman, Willem van Lalaing, heer van Bugnicourt, tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. Dat was net in een periode dat de Hoekse & Kabeljauwse twisten hier weer eens flink waren opgelaaid. Holland en Zeeland waren verdeeld in een pro- en een anti-Bourgondisch kamp. De vorige stadhouder had zich veel te soft opgesteld en het was de bedoeling dat stadhouder Willem van Lalaing (1395-1475) eens stevig orde op zaken zou gaan stellen. Maar in plaats van zich boven de partijen te plaatsen, verbond Willem van Lalaing zich juist met één van beide, namelijk de Hoekse partij. Bovendien ging hij allerlei persoonlijke financiële verplichtingen aan met de voorman van die Hoekse partij, ridder Reinoud van Brederode, de heer van Vianen.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Reinoud II van Brederode (1415-1473) in zijn officiële gewaad van ridder van het Gulden Vlies.

Stadhouder Willem voerde geen goed bestuur in de ogen van het hertogelijk gezag en in 1445 werd hij vervangen. Maar om zijn verplichtingen aan Reinoud van Brederode te kunnen voldoen huwelijkte hij zijn dochter Yolanthe (daar is ze dan!) aan hem uit. In Nederlandse geschriften wordt ze ook wel Yolande van Brederode genoemd, maar in de 15de-eeuwse bronnen zie je toch altijd de naam Yolanthe.

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Getijdenboek Yolanthe van Lalaing (detail)

Van deze Yolanthe is slechts één selfie bekend, namelijk de afbeelding die een boekverluchter maakte voor haar persoonlijke getijdenboek, waarin ze geknield aan de voeten van Maria is te zien. In die devote positie zag ze dan zichzelf, zo stel ik me voor, elke keer als ze haar getijdenboek open sloeg. Yolanthe van Brederode-van Lalaing bracht na de dood van Reinoud in 1473 haar laatste jaren door op kasteel Brederode bij Santpoort en overleed op 15 augustus 1497.

Bron: Anteun Janse, Vrouwenlexicon.

Literatuur: Mario Damen, De Staat van Dienst, Hilversum, 2000. (Over de Bourgondische ambtenaren in de 15de eeuw)

Read Full Post »

Older Posts »