Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Maritiem’ Category

De Hanzedagzaal, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

De Hanzedagzaal in het Museum, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

Tijdens een tripje dat ik vorige maand maakte langs een aantal Duitse Hanzesteden – waarover later wellicht nog eens meer – kwam ik natuurlijk ook in Lübeck. Op 27 mei 2015 is daar het gloednieuwe Europäisches Hansemuseum geopend. Daar moest ik uiteraard heen. Ik ben er drie uur gebleven en dit zijn mijn bevindingen.

Het museum bevindt zich op een schitterende locatie in een middeleeuws Dominicanenklooster, het Burgkloster, waar nieuwe gedeelten aan zijn toegevoegd die zich voor een belangrijk deel onder de grond bevinden. Je komt binnen en koopt een entreebewijs waar een elektronische tag in is verwerkt. Dan daal je af met een lift en betreed je een donkere ruimte waar een kronkelend gangpad je nog wat verder omlaag brengt. Zware geluiden dreunen rond en hier en daar wordt een voorwerp aangelicht in het halfduister. Twee flinke, oud uitziende zeilschepen, zwakjes verlicht, hun zeilen langzaam bewegend in een luchtstroom, trekken de aandacht. De boodschap is meteen duidelijk: je bent hier niet in zomaar een Hanzemuseum, waar braaf aan de hand van objecten een historisch verhaal wordt verteld. Je bent binnengekomen in wat niets minder dan een echte Hanze-Experience belooft te worden!

Die eerste donkere zaal verbeeldt Nowgorod, de handel op Rusland en de erfenis van de Vikingen en Gotlanders. Hoe die in de 11de en 12de eeuw de kusten van de Oostzee verkenden en er handel begonnen te drijven. Het oerbegin van de Hanze. De wanden van de ruimte worden in beslag genomen door lichtgevende infopanelen. Je activeert die met je entreebewijs en alles wordt in het Duits, Engels, Zweeds of Russisch aan je voorgeschoteld. Die panelen en schermen bevatten veel informatie in de vorm van tekst, beeld, filmpjes en graphics. Zoveel zelfs dat een belangrijk deel van de bezoekers geruime tijd in die eerste zaal blijft hangen om alles goed te kunnen lezen en bekijken.
Het Museum is ingericht als een afwisselende opeenvolging van donkere en helder verlichte ruimten, ik telde er veertien, waar het verhaal van de Hanze wordt verteld aan de hand van de vier ‘Kontore’ van de Hanze en vier tijdmarkeringen: Nowgorod 1150, Lübeck 1226, Brugge 1361 en Londen 1500. Helemaal tot slot volgen dan nog Bergen in de 17de eeuw en het einde van de Hanze. De ruimtes kennen een vaste volgorde, je kunt wel teruglopen, maar dan loop je tegen de bezoekersstroom in.

Men heeft een balans proberen te vinden tussen zalen die vooral op evocatie en beleving zijn gericht (de donkere, met licht- en geluidseffecten) en de lichte zalen die zich meer concentreren op uitleg aan de hand van objecten in vitrines. Die belevingszalen gaan bijvoorbeeld over handel en tonen dan een overvloed van stoffen en andere handelswaar; over de bouw van middeleeuwse steden zoals Lübeck; over de Pest van 1348 (opgezette-ratten-alert!) of over hoe een Hanzedag nu precies plaatsvond. De vitrine-zalen bevatten onder meer keizerlijke oorkonden met privileges, een paar scheepsmodellen en het kasboek van een Hanze-handelaar. Let wel, originele objecten en oorkonden zijn er nauwelijks in het Museum, het gaat in de meeste gevallen om replica’s en modellen. Daarom is de term Museum ietwat misleidend, beleving van het verhaal met moderne middelen staat voorop en niet het tonen van voorwerpen uit een collectie. Wie originelen wil zien zal zich elders moeten vervoegen, maar het Hansemuseum is werkelijk de Hanze Experience.

Overigens is er met de wijze van informatievoorziening in het museum niets mis. Maar het is wel erg veel. Zelden ben ik in een museum geweest waar men zich zo intensief bekommert om volledige informatie-overdracht. Geen slappe verhaaltjes, of versimpelingen, wie het Europäisches Hansemuseum bezoekt wordt gründlich doordrenkt met informatie. Dat betekent dat je na de tiende zaal wel wat van je aandachtsscherpte gaat verliezen. Gelukkig is er dan die ruimte waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld. De agenda wordt groot geprojecteerd, met aandacht voor alle wezenlijke discussies, maar ook voor de procedurele flauwiteiten tussen de steden onderling. Dan volgt nog een zaal die gewijd is aan religie en je jezelf plots in de schemer terugvindt tussen wassen beelden van priesters en monniken die er griezelig realistisch bijstaan. Maar daar blijft het dan wel bij qua humor. Het Museum is dan wel een Experience, maar kent een serieuze instelling waar weinig plaats is voor luchtig vermaak.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Als je de eerste veertien zalen bent gepasseerd heb je deel 1 van het Museum gehad. Daarna is er nog deel 2. Dit deel bevindt zich in een ander stuk van het Burgkloster, waarvoor je weer naar buiten moet. Niet zo handig, maar het kon blijkbaar niet anders. Eerst kom je in een ruimte die de Finale heet en mij enigszins verbijsterde door zijn stijlbreuk met al het voorgaande. Popmuziek, ‘Changes‘ van David Bowie, schalt er keihard door de ruimte, waar vier enorme poppen staan opgesteld die vier Hanzekooplieden voorstellen. ‘Changes’, vanwege de veranderde verhoudingen in Europa na 1600, de Atlantische handel, de handel op Azië.
‘Ch-ch-ch-changes’, het einde van de Hanze. Toen ik de dienstdoende mevrouw vroeg naar het hoe en waarom, gaf ze enigszins besmuikt te kennen dat zij het ook niet helemaal begreep en dat er nog wat nadere uitleg nodig zal zijn. ‘Het is ook allemaal wat nieuw, ziet u, het is nog niet af’.

Het laatste onderdeel van het Hansemuseum heet het Hanselab. Hier bevindt zich het Hanze-onderzoeks- en documentatiecentrum in oprichting, met een conferentiezaal en kleine exposities over bepaalde aspecten van de Hanze. Ook is daar aandacht voor archeologie en voor het Nachleben, zoals het gebruik van de Hanze als merk, voor kapsalons tot rederijen, tot voetbalclubs tot sigaretten. Dit Hanselab is naar mijn idee een interessant onderdeel en hopelijk gaat het een belangrijke rol spelen in het bijeen brengen van wetenschappelijk onderzoek en publieke belangstelling.

Het was een enerverend bezoek waarmee ik vele uren zoet was. Maar vond ik het nou een goed museum? Ondanks het bombardement aan informatie miste ik nogal wat. De hele vijftiende eeuw kwam niet aan bod, en de verhouding met de Hollandse steden bleef ook zwaar onderbelicht, wat voor iemand die zich uitgerekend met de verhouding tussen de Hanze en Holland in de vijftiende eeuw bezighoudt nogal teleurstellend is. Schepen en scheepsarcheologie spelen jammer genoeg ook geen grote rol. Het gebruik van een tag om infopanelen en dergelijke te activeren wekt bij mij wel eens wat tegenzin op, maar dat is een persoonlijke voorkeur en, toegegeven, het werkte wel goed. De Finale is echt een stijlbreuk en oogt bovendien nogal potsierlijk. Maar het restaurant is uitstekend, met een mooi terras en uitzicht over de stad en de haven. Ten slotte is het Europäisches Hansemuseum in Lübeck het enige museum ter wereld waar het complete verhaal van de Hanze met moderne middelen aan een breed publiek wordt verteld. En dat doet de balans uiteindelijk wel positief uitslaan. Ga er dus vooral heen als je in Lübeck bent, sowieso een prachtige stad, ook voor wie niet speciaal in de Hanze is geïnteresseerd.

Europäisches Hansemuseum Lübeck

www.hansemuseum.eu

Read Full Post »

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.

Read Full Post »

Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Tussen 1990 en 2007 werkte ik, afgezien van een korte tussenpoos, op de Bataviawerf in Lelystad, in verschillende rollen en functies. Vanaf mijn eerste stappen op de werf, in de zomer van 1990, tot aan zijn terugtreden in 2001, heb ik langdurig en nauw samengewerkt met scheepsbouwmeester Willem Vos. Willem Vos was de stichter van de Bataviawerf en de geestelijk vader van de reconstructie van het schip Batavia. In alle opzichten.
Ik kom daar over te spreken omdat er gewerkt wordt aan een biografie over Willem Vos. Die wordt geschreven door freelance journalist Wilfried Vonk en moet verschijnen in september 2015. Willem Vos is dan 75 jaar en het is tevens 30 jaar geleden dat hij met de bouw van de Batavia begon (kiel gelegd op 4 oktober 1985).

Afgelopen week bezocht Wilfried mij om mij te interviewen over mijn tijd op de werf en mijn herinneringen aan scheepsbouwmeester Vos. Nu wil ik hier zeker niet alles opschrijven wat ik aan Wilfried vertelde, dat staat straks wel te lezen in dat boek. Mijn herinneringen vormen maar één perspectief en Vos verdient juist een objectieve benadering waarin het fenomeen Willem Vos van alle kanten wordt belicht. Wilfried heeft gelukkig met een groot aantal mensen gesproken. Laat ik één tipje van de sluier oplichten: Willem was een gecompliceerde persoonlijkheid. Door sommigen bejubeld als een soort goeroe, of sekteleider zo men wil, door anderen verguisd en afgebrand. Maar voor alles een groot vakman, laat dat duidelijk zijn.
In zijn laatste jaren op de Bataviawerf is hij niet al te best behandeld door bestuur van zowel werf als gemeente Lelystad, maar anderzijds gedroeg hij zich soms zo wispelturig en ongrijpbaar dat hij bestuurders (en medewerkers!) tot wanhoop kon drijven. Een wispelturigheid die je ook als ‘authenticiteit’ kunt omschrijven. Willem deed namelijk zelden iets tegen zijn eigen zin.

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Als je zo’n lange tijd ergens heb gewerkt onthoud je natuurlijk niet alles wat er gebeurd is. Het geheugen is selectief. Ik had altijd gedacht een duidelijke en vastomlijnde herinnering te hebben gehad aan de werf. Maar dat bleek dus niet zo te zijn. Je eigen herinnering wordt gekleurd door meningen die je je later hebt gevormd over bepaalde periodes. Eerste indrukken vermengen zich met latere kennis; globale ideeën die je had blijken soms nergens op gebaseerd te zijn. Een interviewer die je naar je herinneringen vraagt doet dat soms op zó’n manier dat je werkelijk je hersens moet uitwringen om te reconstrueren hoe het nou ook al weer precies zat. Hij heeft immers meerdere bronnen gehoord en bezit misschien een objectiever beeld, maar ik was er toch bij geweest. Dus wat was nu de waarheid? Als historicus ben je nu zelf onderdeel van het gebeurde.

Ik ben na het interview extra nieuwsgierig geworden naar het boek over Willem. Ik heb hem sinds 2003 niet meer gezien of gesproken, maar weet nu al dat het boek me zal verrassen.

Read Full Post »

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Read Full Post »

 

Veldtekening van een scheepswrak uit de Waddenzee (Aanloop Molengat), door Arent Vos en Alice Overmeer. ©RCE

Veldtekening van een scheepswrak uit de Waddenzee (Aanloop Molengat), door Arent Vos en Alice Overmeer. Onderwaterarcheologen maken veel van dit soort tekeningen. ©RCE

Onlangs hield de Vereniging voor Zeegeschiedenis, waar ik lid van ben, haar voorjaarsvergadering. Het ging vooral over onderwaterarcheologie en een van de sprekers op die bijeenkomst was Arent Vos. Arent is onderwaterarcheoloog en was ook lange tijd professioneel duiker. Zoals hijzelf pleegt te zeggen: ‘duiken is voor mij alleen maar een manier om op mijn werk te komen; daar beneden, daar begint pas het eigenlijke werk’.

Ik ken Arent al vele jaren en gedurende al die tijd is hij onvermoeibaar bezig om op de deuren te bonzen van beleidsmakers, politici en bureaucraten om hen te doordringen van het belang van de onderwaterarcheologie en vooral van de noodzaak tot bescherming van het maritiem erfgoed, zoals scheepswrakken, die in de Nederlandse wateren zijn gelegen. Want daar gaat het niet zo goed mee, we schreven er al eerder over hier op Wel heb je Ooit.

Het punt is namelijk dat binnen archeologische beleidskringen de regel geldt: als je het niet hoeft op te graven, laat dan vooral lekker liggen en als het wel opgegraven moet worden, omdat er een nieuwe stadswijk wordt aangelegd, een spoorlijn of een weg, dan moet de degene die daartoe opdracht geeft meebetalen aan archeologisch onderzoek. In andere gevallen blijft het bodemarchief intact en onverstoord.

Voor scheepswrakken in de Waddenzee gaat die vlieger niet op, want daar is het de natuur zelf die de veroorzaker is van verstoringen. Zeestromingen verleggen zich van jaar tot jaar, geulen worden uitgesleten, hier wordt zand gedeponeerd, elders wordt het verplaatst. Scheepswrakken die jaren lang onder het zand lagen komen plots bloot te liggen. Met elke eb-en vloed-beweging spoelt de zee nieuwe stukken schip weg, de paalworm vreet het hout op en anders trekken vissers met hun netten de resten wel weg. Wrakken en de voorwerpen die er nog in zitten en ons enorm veel historische informatie hadden kunnen bieden worden voor altijd vernietigd, onherstelbaar.

Maar kun je een moedwillige verstoorder van archeologische monumenten op het land nog opsporen en een boete geven, de zee zelf kun je niet bekeuren. En daarom loopt Arent Vos al jaren te hoop om overheden te overtuigen dat die wrakken bescherming behoeven of dat er meer geld naar onderzoek toe moet vóór dat ze vernietigd zijn. Dat maakt hem niet altijd populair bij technocraten en bureaucraten – daar heb je hém weer! –, maar wel tot een bevlogen belangenbehartiger van maritiem erfgoed.

Zelf doet Arent doorlopend onderzoek naar die scheepswrakken in vooral de Waddenzee, maar ook elders. Vorig jaar verscheen een dik boek van zijn hand waarin hij al zijn kennis en ervaring heeft neergelegd. Het heeft de wat nuchtere titel ‘Onderwaterarcheologie op de Rede van Texel’, maar vormt de weerslag van jaren onderzoek. Op de site van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed is het boek ook als pdf te downloaden. Zeer aanbevolen en werkelijk een must voor iedereen die met scheepsarcheologie te maken heeft of daar belang in stelt. Het boek laat op overtuigende wijze zien welke enorme schatten er onder water zijn gelegen, al gaat het zelden of nooit over goud en zilver, maar wel om talloze interessante voorwerpen die sterk bijdragen aan kennis over onze maritieme geschiedenis. Veel aandacht is er voor methodiek, maar gelukkig ook voor de historische achtergronden van de schepen die werden gevonden. Talloze tekeningen en foto’s zorgen voor een aantrekkelijk geheel.

14 Omslag boek Arent Vos

Arent D. Vos, Onderwaterarcheologie op de Rede van Texel, Amersfoort, 2012 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Voor de pdf, zie hier: http://www.cultureelerfgoed.nl

Veel wat in het boek wordt behandeld is ook te zien op diverse tentoonstellingen in het Texelse Maritiem Museum ‘Kaap Skil‘.

 

Read Full Post »

 

Het admiraliteitshof in Rotterdam op de hoek van de Spaanse Kade en het Haringvliet. (J. de Vou, 1694, Belasting- en Douanemuseum)

Het admiraliteitshof in Rotterdam op de hoek van de Spaanse Kade en het Haringvliet. (J. de Vou, 1694, Belasting- en Douanemuseum)

De ons omringende landen kenden slechts één Marine. Zij hadden ooit in de Late Middeleeuwen een koning gehad die een oorlogsvloot wilde hebben en daar een organisatie omheen had gebouwd. Nederland viel in de zestiende eeuw onder de koning van Spanje en die had al een vloot, zodat er hier geen koninklijke oorlogsvloot werd gebouwd of uitgerust. Toen de Nederlanden zich na 1572 losrukten van de Spaanse koning Filips II waren er hier wel wat losse oorlogsschepen, maar ontbrak het aan een overkoepelende marine-organisatie. Die is pas mondjesmaat en in eerste instantie zelfs op lokaal niveau ontstaan vanuit de befaamde watergeuzen. Willem van Oranje aanvaardde daarbij het opperbevel van de vloot.

Rond elke riviermond organiseerde men toen de verdediging ter zee, iedereen zijn eigen admiraliteit. De Scheldemonding viel daarbij onder de Zeeuwse admiraliteit, de Maasmond onder de admiraliteit van Rotterdam. Marsdiep, Vlie en de Friese zeegaten waren de verantwoordelijkheid van de admiraliteiten van Amsterdam, het Noorderkwartier en Friesland. Gedurende lange tijd, tot aan de komst van de Fransen in 1795, kende Nederland vijf afzonderlijke admiraliteiten, die elk onder het gezag stonden van de gewestelijke Staten en alleen de Prins van Oranje als gezamenlijk hoogste zee-officier erkenden. Ieder apart hadden ze hun eigen organisatie ter zee en aan de wal en hun eigen opperbevel. Samen vormden ze de Staatse Vloot. In 1597 kwam het wel tot een overeenkomst dat de vijf admiraliteiten zouden samenwerken en dat zijn ze, met vallen en opstaan, blijven doen tot hun opheffing in 1795.

De admiraliteit van Rotterdam, doorgaans de admiraliteit van de Maze genoemd, geldt als de oudste van de vijf admiraliteitscolleges. Hij werd in 1586 opgericht, ter vervanging van een voorloper, de admiraliteit van Zuid-Holland, die al sinds 1575 actief was. Omdat het het oudste college was mocht Rotterdam altijd het vlaggenschip van de Staatse vloot leveren. Het college zetelde vanaf het midden van de 17de eeuw in een prestigieus gebouw, het Admiraliteitshof, dat gelegen was op de hoek van het Haringvliet en de Spaanse kade. Dit fraaie classicistische gebouw is in 1884 afgebroken.

De oorlogvoering ter zee, de bouw van oorlogsschepen, het uitvechten van zeeslagen, dat was het werk van de admiraliteiten dat nog altijd tot de verbeelding spreekt. Zeker als het gaat om de Gouden Eeuw en helemaal als die zeeslagen dan ook nog werden gewonnen. Maar dat gebeurde eerlijk gezegd niet al te vaak; alleen Michiel de Ruyter kan zich er op beroemen daadwerkelijk enkele zeeslagen te hebben gewonnen tegen grote tegenstanders als Engeland en Frankrijk.

Het leeuwendeel van de werkzaamheden van de admiraliteiten was een stuk banaler. Omdat ze alleen in tijden van oorlog en dan nog slechts bij uitzondering direct gelden ontvingen van de Staten-Generaal, moesten ze voor het overeind houden van hun organisatie op zoek naar vaste eigen inkomsten. Die verkregen de admiraliteiten uit de zogeheten convooyen en licenten. De convooyen waren de gelden die men ontving voor het begeleiden van handelsschepen en vissers, een soort beschermings- en loodsgeld. De licenten zouden we het best als invoerrechten kunnen betitelen, want de admiraliteiten hadden nog een belangrijke taak, namelijk de controle op het handelsverkeer, het innen van belastingen ter zee en op de rivieren. Omdat er vijf admiraliteiten waren, waren er ook vijf gebieden omschreven waar elke admiraliteit zijn werkterrein had.

De admiraliteit van de Maze had het grootste ressort van alle vijf de colleges. Het hele stroomgebied van de Maas, voor zover dat binnen de grenzen van de Republiek was gelegen, hoorde erbij, tot Maastricht aan toe. De Maze beschikte over 53 kantoren verspreid door het hele ressort. Elk van die kantoortjes werd bevolkt door personeel, de ‘contrerolleurs’ dat verantwoordelijk was voor de inning van de belasting en de afdracht aan het hoofdkantoor in Rotterdam. Daarnaast waren er allerlei functionarissen zoals klerken en vendu-meesters en had men de beschikking over een bewapende garde onder leiding van de kapitein-geweldige. De corruptie was vermaard, er is berekend dat slechts de helft van het geïnde geld ook daadwerkelijk aan de organisatie ten goede kwam. De rest bleef onderweg ergens aan diverse strijkstokken hangen.

De functionaris die op het hoofdkantoor de financiële administratie in goede banen moest zien te te leiden, was de advocaat-fiscaal, die we voor de administratieve walorganisatie wel als de centrale figuur kunnen zien.
Een van de bekendste advocaten-fiscaal van de admiraliteit van de Maze was de Zeeuw Pieter Paulus. Hij trad in 1785 in dienst, maar werd in 1788 om zijn patriottische sympathieën afgezet. Hij vluchtte naar Frankrijk, maar keerde in 1795 terug en was een jaar later bijna de eerste gekozen president van Nederland geworden.

Naar de organisatie van de admiraliteiten te land is tot nu toe verrassend weinig onderzoek gedaan. Een van de redenen is dat veel archieven van de admiraliteiten, ook die van de Maze, jammer genoeg door brand zijn verwoest. De hoeveelheid bronnenmateriaal is daardoor beperkt. Een andere reden zal ongetwijfeld zijn dat het bestuderen en beschrijven van douane-achtige activiteiten nu eenmaal wat minder spannend is dan de zeeslagen van Tromp en De Ruyter analyseren. Het dagelijks werk van de admiraliteiten was daarmee vergeleken doorgaans toch wat aan de saaie kant.

 

Read Full Post »