Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Frankrijk’ Category

De Mozesput in Dijon. Rechts de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël.  Een engel kijkt toe.

De Mozesput in Dijon. Midden de profeet Jesaja, links het gezicht van Daniël. Een engel kijkt toe. (Foto’s auteur)

In het jaar 1385 arriveerden twee Hollandse beeldhouwers in de Bourgondische hoofdstad Dijon. Claes Sluter en zijn neef Claes die Werve waren oorspronkelijk afkomstig uit Haarlem en hadden de jaren daarvoor in Brussel gewerkt. Nu werden zij door hertog Filips de Stoute (1342-1404) ontboden aan het Bourgondische hof, om daar te komen werken aan de beelden die de grafkerk van de Bourgondische dynastie luister bij moesten zetten.

Deze grafkerk bevond zich op het terrein van de Chartreuse de Champmol, een kartuizerklooster even ten westen van het oude Dijon dat door Filips de Stoute in 1384 was gesticht met het doel om daar een necropolis voor zijn dynastie te vestigen. Vierentwintig monniken zouden daar dag en nacht voor het zielenheil van hem en zijn familie bidden. Er moest een gebouw verrijzen dat in alle opzichten de concurrentie zou kunnen aangaan met de Franse koninklijke grafkapel in Parijs. De hertog liet de beste kunstenaars naar Dijon komen. Ze stonden geheel en al in dienst van de hertog, maar genoten daarentegen een luxeleven waar ze nooit van hadden kunnen dromen.

Claes en Claes stonden aanvankelijk onder de supervisie van de hertogelijke opperbeeldhouwer, maar na diens dood in 1389 nam Claes Sluter de leiding over. De grafmonumenten voor Filips de Stoute en zijn vrouw Margaretha van Male zijn nog te zien in het Museum in Dijon. Het klooster in Champmol werd tijdens de Franse Revolutie met de grond gelijk gemaakt. Op het terrein bevindt zich sinds 1830 een psychiatrisch ziekenhuis.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

De profeet Zacharias kijkt je streng en indringend aan. Kleurresten zijn zichtbaar in zijn ogen.

Van de beeldhouwwerken resteert nog één stukje, maar dat is dan wel meteen een formidabel monument. Het is de zogeheten Mozesput (Puits de Moïse) die na de Revolutie was gered ter decoratie van de stadstuinen. Gelukkig onderkende men toen ook al de uitzonderlijke kwaliteit van de beelden. Op de Mozesput, eigenlijk de sokkel voor een grotere calvarie, vinden we beelden van zes profeten uit het Oude Testament: Mozes, David, Daniël, Zacharias, Jesaja, en Jeremia. De beelden waren ooit polychroom beschilderd door de beroemde schilder Jean Maelwael. Er zijn nog restjes te zien van die beschildering. Ook waren ze deels verguld en voor Jeremia werd een speciale bril van koper besteld. Die is helaas niet bewaard gebleven. Deze details zijn bekend omdat het volledige archief van de Chartreuse bewaard is gebleven; de bouwgeschiedenis van de Mozesput is daardoor goed te reconstrueren.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

Een van de engelen op de Mozesput wrijft de tranen uit zijn ogen.

De gezichtsexpressie van de beelden van de profeten is verbijsterend realistisch en vooral menselijk. Niet ten onrechte is Claes Sluter wel vergeleken met Michelangelo, die 100 jaar later leefde. Ook de engeltjes die boven de profeten staan afgebeeld hebben allerlei herkenbare uitdrukkingen, variërend van ontzetting tot angst en ontzag. Claes Sluter en zijn team werkten tussen 1395 en 1405 aan de put en gingen daarna verder met de graftombes voor Filips de Stoute en diens vrouw Margaretha (†1405). Sluter zou dat niet meer lang meemaken, hij overleed in 1406. Het werk is daarna voortgezet door zijn neef Claes die Werve die de monumenten voltooide in 1410.

Koning David (met kroon).

Koning David (met kroon).

De profeet Jeremia (zonder bril)

De profeet Jeremia (zonder bril)

Wanneer je om de Mozesput heenloopt valt op dat de meeste beelden je indringend aankijken. Dit effect zal nog sterker zijn geweest toen de helblauwe ogen er nog op geschilderd waren, maar het restant is nog altijd indrukwekkend. Over de betekenis van de beelden en de attributen die ze bij zich hebben is geschreven door Huizinga in diens Herfsttij der Middeleeuwen (Hoofdstuk 18). Ook de Franse Wikipediapagina biedt uitgebreid informatie. Laten we ons hier daarom beperken tot een beeldengalerij en ons verbazen over de schoonheid van dit alles.

De Mozesput is dagelijks te bezoeken van half tien ’s morgens tot 17 uur ’s middags. Een vriendelijke mevrouw aan de kassa verkoopt entreebiljetten voor slechts 3,50 euro per stuk. Wij waren de eerste bezoekers op een maandagmorgen en het was heel erg rustig.

Read Full Post »

De grote muur van het Romeinse theater in Orange. De toneelvloer, de scaena, wordt in gereedheid gebracht voor het zomerfestival, de Chorégies.

De grote muur van het Romeinse theater in Orange. De toneelvloer, de scaena, wordt in gereedheid gebracht voor het zomerfestival, de Chorégies.

Te midden van alle Oranjegekte vanwege het WK-voetbal in Brazilië, leek een bezoek aan de Zuid-Franse stad Orange, in het dal van de Rhône, om meer dan één reden een goed idee. Ik wilde er altijd al eens heen en ik was hier nu toch.

We hebben allemaal op school geleerd dat Willem van Oranje in 1530 het prinsdom Orange erfde van zijn neef René van Chalon en dat het aan die erfenis te danken is dat nu talloze voetbalsupporters zich in de kleur oranje hijsen. Daar komt het kort gezegd op neer. Orange maakt alweer sinds 1713 volledig deel uit van Frankrijk, maar de titel ‘Prins van Oranje’ wordt nog altijd door ons vorstenhuis gevoerd.

Orange kan terugkijken op een oude geschiedenis. Lang voordat het behoorde aan de familie van Chalon werd het geregeerd door de heren van Baux en daarvoor weer door de graven van Toulouse, directe verwanten van Karel de Grote. Maar vóór alles was het natuurlijk een Romeinse stad, gesticht rond 35 voor Christus door en ten behoeve van de veteranen van het Tweede Legioen. Het was met dit legioen dat Julius Caesar een begin had gemaakt met de verovering van (bijna!) heel Gallië. De stad heette voluit de Colonia Firma Julia Secundanorum Arausio, kortweg Arausio, en ontwikkelde zich tot een belangrijke Romeinse stad. Arausio verwijst naar de naam van de Gallische nederzetting die daar eerder gelegen was.

Er is niet heel veel dat nog aan Arausio herinnert, maar wat er nog wel is slaat je met stomheid. De triomfboog waarop de beslissende veldslag van ‘Het Tweede’ wordt verbeeld – inclusief verslagen en vertrapte Galliërs – is al prachtig, maar de resten van het grote theater zijn echt verbluffend. De enorme theatermuur van 103 meter lang en 36 meter hoog heeft als door een wonder alle eeuwen overleefd en is nog de enige in zijn soort die zo goed als intact is gebleven. Zo’n muur vormt niet alleen de achterwand van de toneelvloer, de scaena, maar was ook gedecoreerd met zuilen en standbeelden, waaronder een 3 meter hoog marmeren beeld van de keizer. Het theater bood plaats aan 10.000 bezoekers en kon volledig worden overdekt met oprolbare doeken, tegen de zon en de regen. In de 19de eeuw is het gerestaureerd, waarbij onder meer het tribunegedeelte weer werd opgebouwd. Sindsdien worden er ook weer voorstellingen gegeven en elk jaar in juli vinden er sinds 1869 de Chorégies plaats, een drukbezocht festival met opera en toneel.

015 theater3

En als je dan even gaat zitten op de grote stenen tribune kost het niet veel moeite om je de Romeinse theatervormen zoals de mime of de komedie voor de geest te brengen. Je hoort het geroezemoes en het geroep van de toeschouwers in de richting van de acteurs. Er zijn verkopers van programmablaadjes en de geur van etenswaren. Misschien klinkt er zelfs geklap en gejuich. En zo komen een Romeins theater en een stadion vol Oranjeklanten toch dichterbij elkaar dan je misschien vermoedde.
Hup Oranje!

Read Full Post »

OmslagGuiche

Lodewijk XIV en zijn leger trekken de Rijn over bij Lobith, 1672. Schilderij door Adam François van der Meulen, 1674. (Rijksmuseum)

Het was eind 2004 toen ik op het spoor kwam van Armand de Gramont, graaf van Guiche.  Ik deed in die tijd onderzoek naar het schip De Zeven Provinciën, het vlaggenschip van admiraal Michiel de Ruyter. Guiche (1637-1673) was een Franse edelman die in de jaren ’60 van de 17de eeuw langdurig in ons land verbleef en daar een boek over bleek te hebben geschreven. Ook had hij in dat boek een verslag opgenomen van zijn verblijf op dat schip in de zomer van 1666 tijdens de grote Vierdaagse Zeeslag.

Dat was op zich al bijzonder genoeg. Ik verdiepte me wat meer in Guiche, las zijn boek, de Mémoires geheten en kwam er achter dat er nog veel meer in stond over politiek, personen en gebeurtenissen. Ik werd gegrepen door wat hij schreef over Holland in het midden van de 17de eeuw en besloot dat boek maar eens te gaan vertalen. Al lezend en vertalend raakte ik er van overtuigd dat ik met mijn ontdekking van Guiche een kleine historische goudmijn had aangeboord. In de recente literatuur kwam ik praktisch niets over hem te weten, de Nederlandse geschiedschrijving had hem veronachtzaamd en hij was zo goed als vergeten.

De zomer van 2005 bracht ik mijn vakantie door in zuidwest Frankrijk, de streek waar de graaf van Guiche vandaan kwam. In een boekwinkeltje aan de voet van de Pyreneeën vond ik wat literatuur over hem, maar daarin werd vooral zijn rol als lokale edelman, bestuurder en branieschopper belicht. De man die het had gewaagd koning Lodewijk XIV uit te dagen en daarom van het hof was verbannen. Ik bezocht de ruïne van zijn kasteel en de plaatsen waar hij had gewoond. Ik zag de Joodse begraafplaats in het stadje Bidache, zag les polders (op zijn Frans uitspreken) in de omgeving en realiseerde me dat ik mijn verhaal over Guiche maar eens moest uitwerken. Ik zou niet alleen een vertaling maken van zijn Mémoires, maar ook een biografie over hem gaan schrijven. Dat was het plan.

Eind 2006 had ik mijn vertaling bijna klaar. Met de biografie was ik inmiddels begonnen. Het hoofdstuk over zijn verblijf op de Staatse vloot in 1666 had ik als eerste af en kon ik in iets verkorte vorm publiceren als artikel ‘Avonturen aan boord bij De Ruyter’ in het Tijdschrift voor Zeegeschiedenis. Het jaar 2007 gold als ‘De Ruyter-jaar’ en daar paste dit verhaal prima bij.

Toen kreeg ik ander werk. Dit nam mij geheel in beslag en de biografie van Guiche bleef daarom liggen, evenals de afronding van de vertaling. Zo gaan die dingen soms.

We zijn nu zes jaar verder en de tijd is gekomen om het werk weer op te pakken. Dat wil zeggen, ik wil nu datgene presenteren wat ik eind 2006 gereed had. Er moet nog een deel van de vertaling worden afgerond, wellicht dat ik dat nog doe de komende tijd, maar voorlopig zal men het met het hierna volgende moeten doen.

De biografie die mij ooit voor ogen stond is gereduceerd tot de inleiding die aan de vertaling vooraf gaat. Er nog een jaar verder mee gaan en het werk helemaal afmaken zou theoretisch wel kunnen, maar die onderneming staat andere plannen in de weg. Daarom zet ik er een punt achter, maar vind wat ik gereed heb wel de moeite waard om nu met de rest van de wereld te delen.

Het was ooit mijn idee om biografie en vertaling in boekvorm te publiceren. Na zelf een aantal jaren voor een uitgeverij van historische non-fictie te hebben gewerkt weet ik wat de business-modellen in die branche zijn. Een papieren boek publiceren over zo’n gespecialiseerd onderwerp als dit is alleen haalbaar als je veel eigen geld meebrengt en zelf het uitgeefrisico draagt. Daar heb ik geen zin in, bovendien zou publicatie in boekvorm waarschijnlijk niet meer lezers trekken dan op internet (en mogelijk zelfs minder).

Daarom presenteer ik hier gratis voor iedereen mijn studie over Armand de Gramont, graaf van Guiche en de jaren die hij in Holland doorbracht. Ik publiceer hem onder een Creative Commons 3.0 licentie, wat er op neerkomt dat je er uit mag citeren zoveel je wilt, zolang je maar respect toont voor mijn werk en mij als auteur noemt. En er ook niet zelf geld mee probeert te verdienen.

DOWNLOAD  Herinnering aan Holland. (162 pagina’s, Adobe pdf, 3,3 Mb)

Heb je een iPad? Open de pdf dan in iBooks en swipe jezelf door de wondere wereld van de 17de eeuw.
Veel leesplezier!

Read Full Post »

Met dank aan de Vikingen, N.D. de Mont-devant-Sassey (Meuse)

De geschiedenis ligt op straat. En voor je neus. En soms kom je op zo’n plek, meestal tijdens vakanties, die niet alleen adembenemend is om te zien, maar ook doordesemd is van geschiedenis. Je ondergaat een historische sensatie.

Neem nu het kerkje de Notre-Dame de Mont-devant-Sassey. Het ligt aangeschurkt tegen een heuvel in Frans Lotharingen, met uitzicht op het Maasdal, halverwege tussen Verdun en Sedan. Gedurende eeuwen en eeuwen (en niet alleen tijdens de Eerste Wereldoorlog) zijn horden soldaten er langs getrokken, ze moeten het hebben zien liggen en zeker, het is meer dan eens geplunderd en beschadigd.

Aan het ontstaan van de kerk zit een verhaal vast dat ons nog dieper de geschiedenis in voert, tot in de duistere 7de eeuw. Het begon in het jaar 682 in Andenne, dat nu in België ligt. Begga, de zuster van de befaamde Gertrudis van Nijvel, afkomstig uit een voornaam Frankisch geslacht en de directe voormoeder van keizer Karel de Grote, stichtte daar een klooster. Begga, tevens de moeder van Pepijn van Herstal, werd later heilig verklaard, wat de familie van Karel de Grote natuurlijk veel aanzien gaf, maar dat terzijde.

Het klooster in Andenne floreerde gedurende enkele eeuwen, tot het jaar 883 toen groepen Vikingen ver de Maas opvoeren en vele kerken en kloosters, waaronder dat in Andenne, brandschatten en plunderden. In de 150 jaar die volgde viel het klooster vele malen ten prooi aan krijgsgeweld en uiteindelijk totale verwoesting. De 9de en 10de eeuw waren een gevaarlijke tijd, met in deze streken een minimum aan overheidsgezag. Hooguit wist een lokale heerser soms wat effectief gezag uit te oefenen. In het jaar 1059 ten slotte vluchtten de laatste nonnen zuidwaarts naar Lotharingen. Op een beschutte plek in het Maasdal, op een heuvel bij het plaatsje Sassey nabij Stenay, waar ze (blijkbaar) veilig waren, stichtten ze een kleine kapel. Deze kapel werd in 1127 omgedoopt in de kerk van Notre-Dame, die dus voortaan de Notre-Dame de Mont-devant-Sassey werd genoemd.

De crypte

In de eeuwen die volgden trokken de legers voorbij en ook woedde er meer dan eens brand. Maar desondanks staat de kerk nog overeind. Wat je nu kunt zien dateert nog deels uit het begin van de 12de eeuw. En ook al zijn de vele restauraties goed waarneembaar, het blijft een prachtig voorbeeld van Romaanse architectuur. Het beeldhouwwerk van het portaal is bewaard gebleven en ook de crypte is nog intact. De kerk is nog volop in gebruik als christelijk gebedshuis en ook worden er muziekuitvoeringen en culturele manifestaties gehouden. Wie zuidwaarts door het Maasdal rijdt komt er vanzelf langs. >>Meer op de website van Mont-devant-Sassey.

Beelden in het portaal. Van links naar rechts: Eva, Adam (met een soort wildebeestenvellen om), daarnaast Mozes, Abraham met de kleine Izaäk en Noach.

Het timpaan boven de hoofdingang verhaalt het vroege leven van Christus: geboorte (Maria ligt onderin onder een rode deken), aanbidding door de Koningen, os & ezel en de herders. Linksboven de kindermoord in Betlehem. De polychromie is deels bewaard gebleven.

Read Full Post »

Jean-Paul zakt door zijn knieën en raapt een stuk verroest ijzer op van de pas geploegde akker. “Kijk, dit is een stuk van een eiergranaat, die lijkt nog het meest op een handgranaat”. En verderop: “Dit laten we met rust, want dat is een nog niet ontplofte gasgranaat. De Amerikanen zeiden dan wel dat ze ze niet gebruikten, maar deze is van Franse makelij. Zo konden ze dat blijven ontkennen.”

Jean-Paul de Vries, Brabander in Frankrijk

Jean-Paul is Jean-Paul de Vries, gedreven verzamelaar van alles wat met de Eerste Wereldoorlog en de streek waar hij woont te maken heeft. Van jongsaf aan ging hij met zijn ouders kamperen in de buurt van Romagne-sous-Montfaucon, het hart van het Maas-Argonne-offensief in 1918. Op zijn veertiende vond hij zijn eerste bajonet en toen was hij naar eigen zeggen verkocht. Op zijn negentiende ontdekte hij een massagraf van jonge soldaten die toen net zo oud als hij waren geweest. Dat gaf de doorslag. Hij woont inmiddels al vele jaren permanent met zijn Nederlandse vrouw Brigitte in Romagne, waar hij een privé-museum, het Musée Informel de Romagne ’14-’18, drijft.

Begane grond van het Musée informel ’14-’18 in Romagne.

Het museum is een op het eerste gezicht wanordelijk samenraapsel van stukken oud ijzer, resten van bajonetten en wapens, ketels en pannen, vitrines met talloze potjes en glazen en resten van helmen. Maar er zit wel degelijk een gedachte achter, zo vertelt Jean-Paul. “Het gaat over het dagelijks leven van de soldaat. Ik wil de rauwe werkelijkheid laten zien en niet de opgepoetste, zoals je dat in veel musea gepresenteerd ziet. Hieronder, heb ik loopgraven nagebouwd, verderop zie je het dagelijks leven van de soldaten en op de verdieping hierboven gaat het over verpleging van gewonden, de dood en de herdenking. Ik maak niks schoon, ik restaureer niets, ik laat de voorwerpen zien zoals ik ze gevonden heb in de velden rond Romagne.”

De hoeveelheid voorwerpen, zowel Duitse als Amerikaanse is inderdaad overweldigend. Een wand met vele tientallen messtins, etensnappen, domineert de bovenverdieping. Maar er zijn ook kammetjes, knopen, drinkbekers, soldatenkunst, foto’s en brieffragmenten. Het dagelijks leven van de soldaten trekt voorbij. Geen wonder dat Jean-Pauls museum vele schoolklassen trekt, uit Frankrijk en Nederland, aan wie hij op mitrailleur-snelheid zijn verhaal vertelt.”Wist je dat Nederland de grootste leverancier van cocaïne was aan de strijdende partijen?”

Overal in de velden rond Romagne liggen restanten van wapens en munitie.

Vertellen doet hij ook wanneer je met hem tijdens een drie uur durende wandeling op sjouw gaat in de omgeving van Romagne. Het landschap gaat voor je leven als Jean-Paul je laat zien dat dat bosje dáár de fundamenten van Duitse bunkers bevat, dat dáár ooit een boerderij stond en dat dat huis in het dorp na de oorlog opnieuw is opgebouwd met gebruikmaking van oud legermateriaal. En inderdaad, de balken en lateien bestaan uit bunkerbeplating en oude spoorrails.

Huis in Romagne, geheel opgetrokken uit materiaal van een voormalige Duitse barak.

Jean-Paul verstaat de kunst het landschap te lezen in de termen van de Eerste Wereldoorlog en weet dat ook over te brengen. “Zie je die ronde kuil? Dat is de inslag van zo’n eiergraat. En die vierkante, dat is een Amerikaans schuttersputje. Dat het Amerikaans is kun je zien, omdat de aarde naar die richting, waar de Duitse bunker stond, is opgeworpen.” De akker waar we over lopen is net geploegd en binnen 10 minuten hebben we scherven van grote en kleine granaten gevonden, ijzerbeslag van munitiekisten, kogelhulzen en een paar gasgranaten. “Die leggen we apart en als het er een stuk of 30 zijn, dan pas komt de mijnenopruimingsdienst, eerder niet. Maar wees voorzichtig en blijf overal af, want in principe kan alles wat je hier vindt levensgevaarlijk zijn”. Daarnaast is het ook bij wet verboden om iets mee te nemen of met een metaaldetector op zoek te gaan. Jean-Paul heeft toestemming van de Franse overheid om zijn collectie te onderhouden, maar scherpe munitie laat ook hij absoluut liggen.

Loopgraaf op de Côte Dame Marie, restant van Kriemhilde/Hindenburg-linie

Het hoogtepunt van de wandeling bereiken we bovenop de Côte Dame Marie, waar we de centrale loopgraven van de Hindenburg-linie, de Kriemhilde, nog overduidelijk over de heuvel zien zigzaggen. “Deze heuvel werd in oktober 1918 verdedigd door hooguit 500 à 1000 Duitse soldaten. Liefst 30.000 Amerikanen hadden er drie dagen voor nodig om de heuvel te veroveren.” Je kijkt om je heen en je begrijpt meteen het hoe en waarom. Daar heb je geen multimedia-show voor nodig, het landschap zelf vertelt het verhaal. De heuvel is compleet omgeploegd door zware granaatinslagen. “De bomen die je nu ziet zijn allemaal van de laatste 50 jaar, daarvoor wilde er jaren niets groeien en nog steeds is het er doodstil, want er zijn maar weinig vogels.”

Gasgranaat uit de Eerste Wereldoorlog. Nog altijd levensgevaarlijk!

Maar de lol begint er af te raken voor Jean-Paul. “De Amerikanen gaan dit hele gebied onder handen nemen, om er nog nadrukkelijker een Amerikaans gedenkspektakel van te maken. Straks in 2014 is het 100 jaar geleden dat de oorlog begon. Er komt een nieuw groot bezoekerscentrum bij het American Cemetery, met nette wandelpaden en overal bordjes. Een beetje zoals het er in Verdun toegaat”.
De Eerste Wereldoorlog wordt big business in Romagne en omgeving, als het inderdaad zo zal gaan als Jean-Paul schetst. In dat geval pakt hij zijn biezen: “Ik verkoop de hele boel, ze mogen het zo overnemen.” En wat gaat hij dan doen? “Dan ga ik in Zuid-Bretagne wonen, ik weet al waar. En dan begin ik een strandjuttersmuseum, waar ik het verhaal van de zee en de ecologie ga vertellen. Dan ben ik helemaal klaar met die oorlog.”

We zullen zien. Op dit moment beheerst ’14-’18 nog steeds zijn leven.

Een filmpje (Franstalig) over Jean-Paul is te zien op: http://www.dailymotion.com/video/xcuz58_l-etrange-musee-de-guerre-de-jean-p_travel

 

*UPDATE*

Jelle de Jong schrijft ons (6 augustus 2014): “Leuk geschreven en heel herkenbaar is het verhaal van Romagne en het museum 14-18 van Jean Paul en Brigitte. Kom net terug uit deze omgeving en kan je melden dat Jean Paul voorlopig  heeft besloten om te blijven en de ‘gekkenboel’ zoals hij dat noemt (en ik ook verwacht) van 1918 over zich heen zal laten komen. Veel scholen weten zijn locatie te vinden en dit jaar zijn er al 5000 bezoekers geweest. Nog immer heel gedreven en enthousiast. Leuk om te vermelden is dat de “uitstalling” in het museum ieder jaar wordt aangepast – voor mij was het de 3e keer dat ik in deze omgeving was en steeds opnieuw verrassingen herbergt.”

Waarvan akte, het ziet er naar uit dat Jean-Paul tot in lengte van dagen de velden van Romagne zal blijven doorzoeken.

Read Full Post »

Behalve soldaten sneuvelen schoonheid en kunst ook als eersten in een oorlog. Dat gold bij uitstek voor de kathedraal van Reims in de Eerste Wereldoorlog. Deze schitterende gotische kathedraal, waarvan de bouw in de 12de eeuw begon en die in 1211 werd gewijd, stond vanaf september 1914 praktisch permanent in de vuurlinie. Stad en kerk kregen vele Duitse granaten te verduren. De kathedraal overleefde de oorlog, zij het zwaar gehavend. De prachtige kalkstenen beelden waren aan puin geschoten. Het gebrandschilderde glas was zo goed als totaal verwoest. Men besloot om de kerk te herbouwen en de ornamenten te restaureren waar mogelijk.

Wat nu in Reims is te zien is feitelijk grotendeels een reconstructie van wat er ooit was. Zeker geldt dat voor de vele beelden, waarvan sommige er wel heel erg als nieuw uit zien. Natuurlijk had men er voor kunnen kiezen om ook het glas zoveel mogelijk in middeleeuwse stijl te reconstrueren. En dat is ook wat in de eerste jaren van de herbouw, tot aan de Tweede Wereldoorlog, is gebeurd. Traditioneel werkende ateliers, zoals die van Marq en Simon, togen aan het werk om het glas zoveel mogelijk in oude staat terug te brengen. Of er van het 15de-eeuwse gebrandschilderde glas nog oude werktekeningen bestonden, zoals het geval is met de cartons van de Goudse Glazen in Gouda, is mij niet bekend, maar dat lijkt gezien de totale verwoesting niet erg waarschijnlijk. Het laatste raam als traditionele reconstructie, de rozet in de zuidelijke transept, werd in 1980 opgeleverd.

De rozet in de westelijke façade. Een creatie van Brigitte Simon.

Intussen had men besloten ook andere wegen in te slaan. De beroemde schilder Marc Chagall kreeg in 1971 opdracht om ontwerpen te maken voor een drietal ramen in de centrale kapel van het koor, aan de achterzijde van de kerk. Hij heeft dat in zijn kenmerkende stijl gedaan en met verbluffend resultaat. Het werk kwam in 1974 gereed, volstrekt 20ste-eeuws en helemaal Chagall, maar tegelijk in harmonie met het overige gebrandschilderde glas in de kathedraal.

Koning Lodewijk IX (Saint Louis) spreekt recht, een raam van Marc Chagall (detail).

De doop van Clovis – raam van Chagall (detail)

Door te kiezen voor nieuw in plaats van reconstructie hebben het kerkbestuur en het Franse ministerie van Cultuur lef getoond. Erfgoed uit verleden en heden worden nu op een inspirerende manier met elkaar verbonden. In 2011, ter gelegenheid van het 800-jarig bestaan, is men nog een stap verder gegaan. De Duitse kunstenaar Imi Knoebel (1940) heeft uiterst kleurige ramen ontworpen voor de beide koorkapellen aan weerszijden van de ‘Chagall-kapel’. Het uitvoerende werk is gedaan door het zelfde atelier Marq uit Reims dat ook de ramen van Chagall had gemaakt. Sommige glasgedeelten zijn doorzichtig, andere juist niet, wat het gebrandschilderde glas diepte en gelaagdheid geeft. Knoebel heeft bovendien gekozen voor een abstracte voorstelling in primaire kleuren. Het verhalende karakter, de ramen als prentenboek zoals je dat in middeleeuwse kerken ziet, heeft men daarmee verlaten. Maar het resultaat is des te fascinerender.
Oordeel zelf.

Meer info op culture.gouv.fr

Alle foto’s van de auteur.

Read Full Post »

Op 2 september 1914 werd de eenheid van korporaal Delpech in de buurt van de Butte de Montfaucon in het departement Meuse getroffen door een grote Duitse granaat, een zogeheten obus.
Het was in het begin van de Eerste Wereldoorlog, de Duitse opmars naar Parijs was nog maar net begonnen en zou spoedig vastlopen. De generaals aan beide zijden waren nog van de oude stempel en hadden het soort oorlog voor ogen dat zij kenden. Zij dachten aan wapperende vaandels, fiere pluimen op kleurige uniformen, cavaleriecharges met de blanke sabel en trompetgeschal. Maar het werd niets van dat alles. De eenheid van korporaal Delpech zal in één klap zijn weggevaagd door die granaat, ondanks het mooie uniform dat de korporaal zal hebben gedragen.

Voor korporaal Delpech en zijn mannen is een bescheiden monument opgericht aan de voet van de Butte de Montfaucon, de strategisch gelegen heuvel die in 1914 in Duitse handen kwam en pas in oktober 1918 werd terugveroverd met het Amerikaanse Maas-Argonne-offensief. Van dit soort monumenten zijn er talloze in Frankrijk, zoals ieder dorp, tot aan het kleinste gehucht, zijn gedenkteken heeft voor de gevallenen in de Grote Oorlog.
Op de foto hierboven van het monument voor Delpech is bovenaan nog een stukje van een ander monument te zien dat bovenóp de Butte de Montfaucon staat. Dat is het grote Amerikaanse oorlogsmonument. En zo bescheiden en ingetogen als het monument voor Delpech is, zo pompeus en snoeverig is het Amerikaanse.

Het kolossale American Memorial is ruim 60 meter hoog en bevindt zich op de plek van het verdwenen, want vernietigde stadje Montfaucon.

Het Amerikaanse monument op de Butte de Montfaucon is niet eens zozeer een monument voor de 117.000 Amerikanen die tijdens het Argonne-offensief sneuvelden of gewond raakten. Dan zou het nog te begrijpen zijn dat er zo’n groot monument zou staan. Het nabijgelegen American Cemetery is immers wel degelijk een indrukwekkende gedenkplaats voor die gevallenen. Maar het monument op de Butte de Montfaucon wil in de eerste plaats laten zien wie er gewonnen heeft. Het is triomfalistisch van aard en dat maakt het zo opschepperig.

Overal in de buurt van het front uit de Eerste Wereldoorlog zijn altijd ook Duitse begraafplaatsen te zien en te bezoeken. De nederigheid straalt van die begraafplaatsen af. Hier is geen enkele ruimte voor krijgsgeschal en natuurlijk al helemaal niet voor triomfalisme. Duitsland verloor de Grote Oorlog en dat werd ze bij de Vrede van Versailles stevig ingepeperd. De Duitse begraafplaatsen laten die nederlaag duidelijk zien.

Het Duitse Soldatenfriedhof bij Romagne sous Montfaucon. Rust en ingetogenheid.

Ten slotte, wie van plan is om slagvelden en gedenktekens uit de Eerste Wereldoorlog te bezoeken kan niet buiten het boek Velden van Weleer; Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog, door Chrisje en Kees Brants (oorspronkelijk uit 1993 en vele malen herdrukt). De auteurs geven zowel een chronologische als een geografische ordening. En ook al is hun tone of voice soms wat badinerend, het boek biedt onmisbare informatie en is daarmee ook een soort monument.

Dat ook een weg als monument kan worden beschouwd toont de zogeheten Voie Sacrée, de weg van Bar-le-Duc naar Verdun, waarlangs alle bevoorrading naar het front bij Verdun in 1916 plaatsvond. Elke kilometerpaal is voorzien van een bronzen helm.

Read Full Post »

Older Posts »