Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Familiegeschiedenis’ Category

Rients van der Zee achter de toonbank van zijn winkel Oude Delft 103, ergens tussen 1913 en 1919.

Rients van der Zee achter de toonbank van zijn winkel Oude Delft 103, ergens tussen 1913 en 1919. (Met dank aan mijn neef Jan Koster voor de foto)

Laat ik het weer eens over mijn opa hebben. Ik had het hier al eerder over hem, in zijn hoedanigheid als economische vluchteling vanuit Friesland naar het Westen. Ik heb hem nooit gekend, hij stierf 10 jaar vóór mijn geboorte. Het weinige dat ik weet heb ik van horen zeggen of uit wat de archieven over hem vertellen. Laat ik daarom eens op een rijtje zetten wat ik nu eigenlijk wél van hem weet.

Rients van der Zee werd geboren in het Friese Sexbierum (Barradeel), op 14 oktober 1886, als achtste kind van Haring Janszoon van der Zee en Engeltje Ekes van der Velde. Van die acht waren er al twee voor hun eerste jaar overleden, zodat Rients opgroeide met vijf oudere broers en zussen. Na hem werden nog drie meisjes geboren, Sietske, Froukje en Klaske. Omstreeks 1905 vertrok Rients uit Friesland om in de leer te gaan bij een winkelier in manufacturen. Dat was in Schagen, maar daar heeft hij verder geen sporen in archieven achtergelaten. Wel liet hij voor hij verder trok nog een foto van zichzelf maken.

Rients van der Zee in 1908.

Rients van der Zee in 1908.

In 1908 duikt hij op in Delft. Hij had zich daar ingeschreven als kostganger bij de weduwe Wollen, aan de Oude Langedijk nr 4. Als zijn beroep staat ‘winkelbediende’ vermeld. Rients toont ambitie, want een paar jaar daarna, in 1912, heet hij ‘reiziger in manufacturen’ en woont hij aan de Brabantse Turfmarkt, op nr 68. Dan gaat het snel met hem. Hij leert een meisje kennen, Antoinetta ‘Nettie’ Kerkhof, de dochter van een houtzager aan de Buitenwatersloot. Zij is dan 21, hij 26. Ze trouwen op 1 oktober 1913, maar al een maand daarvoor had Rients zijn hoogsteigen winkel geopend, op de hoek van de Binnenwatersloot en het Oude Delft. Hij verkocht er Manufacturen, Garen, Band en Sajet. Het pand Oude Delft 103 is er nog, het huisvest tegenwoordig een makelaarskantoor.

Advertentie in een Delfts kerkblad, september 1913

De opening van de eerste winkel, september 1913. Advertentie in het blad van de Hervormde Kerk, Delft.

Wat zal hij trots zijn geweest, een eigen winkel! Aan een fraaie gracht in een keurige stad in Holland. Zie hem staan, met zijn stijve boord en zwierige snor achter de toonbank. De foto is niet best, maar het toont hem in vol ornaat als gearriveerde middenstander, belijdend lidmaat van de Nederlands Hervormde kerk en burger van de stad Delft. Wat een afstand tot het achtergebleven Friese platteland. Misschien zou hij er nog een filiaal bij openen, lid worden van de Kerkeraad of nog hoger! Rients en Nettie kregen zes kinderen die allemaal in leven bleven. De oudste zoon werd Haring genoemd naar zijn Friese opa. Hij stamt uit 1914. De jongste, mijn vader Frederik uit 1923 werd genoemd naar de vader van Nettie, Frederik Kerkhof. En de zaken gingen ook al zo goed, al in 1919, precies zes jaar na de opening verhuisde de winkel naar een nóg mooier pand, op de hoek van het Oude Delft en de Oude Kerkstraat, precies onder de scheve toren van de Oude Jan. Het gezin ging boven de winkel wonen, mijn vader is daar geboren. Er kwam zelfs een dienstmeisje in huis, en nog één. Ook dat pand bestaat nog en ook daar is, toeval, een makelaarskantoor in gevestigd.

Maar dan keert het tij. De verkopen dalen na het midden van de jaren ’20, de concurrentie neemt toe. Netties gezondheid gaat achteruit door reuma en zelf moet Rients op de fiets de boeren in het Westland langs, door weer en wind met zijn fournituren en sajet. Zijn jongste zus Klaske komt een tijdje inwonen aan de Oude Kerkstraat, ongetwijfeld om te helpen met de kinderen en de winkel. De dienstmeisjes werden ontslagen. Op 21 september 1925 valt het doek. Het faillissement wordt uitgesproken over ‘R. van der Zee, koopman te Delft’, door rechter-commissaris Mr W. Lunsingh Tonckens. Mr Van Nispen tot Sevenaer wordt tot curator benoemd. Wat zou de oorzaak zijn geweest? Niet de economische crisis, want die kwam pas jaren later. Niet meegaan met de tijd? Een verouderd assortiment?

Dan volgen enkele verhuizingen. Het mooie huis aan de Oude Kerkstraat moest worden verlaten. Het gezin vinden we terug als tijdelijk inwonend aan de Laan van Overvest en aan de Schoolstraat. Dat laatste adres was zelfs een soort opvanghuis van de Diakonie. De val was hard en diep. Gelukkig voor Rients en zijn gezin krijgt hij in 1932 een baan bij de gemeente Delft, als portier van de gasfabriek. Met het nieuw verworven inkomen kan ook weer een fatsoenlijk huis worden betrokken in de dan net gereedgekomen nieuwbouwwoningen aan de overzijde van het spoor, in de C. Fockstraat. Op nr 81 zou het gezin lange tijd blijven wonen, Rients tot zijn overlijden in 1947 en zijn vrouw, mijn oma Nettie, zelfs tot halverwege de jaren ’60. Ik heb er nog gelogeerd.

Tot zover de gegevens en de opsomming. Maar wat was opa Rients voor een man? Een harde werker, ongetwijfeld, maar ook moet hij zwaar teleurgesteld zijn geraakt in het leven. Zijn ambitie was geknakt door zijn faillissement en daar is hij nooit meer echt bovenop gekomen. Naar verluidt was het een wat barse, autoritaire man, met een kort lontje en losse handjes, die ook zijn kinderen niet spaarde. Hoe hij de komst van de Duitsers ervoer en of hij wellicht aanvankelijk enige sympathie koesterde voor de autoritaire harde hand van de bezetter is mij niet bekend, maar lijkt me ook niet onmogelijk.

De zomer van 1947 begon al vroeg warm en heet en zou nog warmer en heter worden, een van de warmste zomers van de twintigste eeuw. Desondanks vatte Rients kou. Zijn ziekte groeide uit tot een longontsteking en terwijl buiten de mussen van het dak vielen aan de C. Fockstraat, lag opa Rients in bed onder een stapel dekens in een potdichte kamer, bang voor tocht. Dat werd hem fataal en hij stierf uiteindelijk aan een hartaanval, op 1 juni 1947. Hij werd begraven op begraafplaats Jaffa in Delft en daar ligt hij nog steeds. Ik heb zijn graf bezocht.

Tot zover opa Rients (1886-1947). Ik had nog een opa, een totaal andere persoon die ik wél heb gekend, al was het maar kort. Maar over hem een andere keer.

Read Full Post »

Luchtfoto van Elim uit ±1957. De wijken zijn gedempt, rijen nette huisjes zijn er gebouwd.  Foto Facebook Oud-Elim:

Luchtfoto van Elim uit ±1957. De wijken zijn gedempt en vervangen door straten, rijen nette huisjes zijn er gebouwd.
Foto Facebook Oud-Elim.

Een paar weken geleden zijn de opnamen begonnen van de verfilming van Publieke Werken. Dat is een geweldig boek van Thomas Roosenboom uit 1999 en hopelijk wordt het ook een hele goede film. Ik heb er alle vertrouwen in.

Even ter opfrissing: het boek speelt zich af in 1888, op twee locaties. De ene is in Amsterdam, waar vioolbouwer Walter Vedder in zijn huisje op de hoek van het Damrak en de Texelse Kade ingekapseld raakt door de bouw van het Victoria Hotel. De andere plaats is het dorpje Elim bij Hoogeveen, waar Vedders neef, de apotheker Christof Anijs, zich tot weldoener verklaart van een turfstekersgemeenschap. Dit even in het kort. Maar het is een dik boek, met een ingenieuze plot. Leest u zelf maar.

Toen ik het boek voor het eerst in handen had, vele jaren geleden, en het opensloeg, moest ik verschrikkelijk lachen. Het gaat over Elim! Het speelt zich af in Elim, hoe verzint hij het! (Elim ligt trouwens hier, voor wie het wil weten)

Wat is er dan zo grappig aan Elim, zo vraagt u zich misschien af? Wel, op het eerste gezicht niet zo veel. Wie er wel eens geweest is, of doorheen is doorgereden, weet dat het een tamelijk kleurloos dorpje is, in een uithoek van het Hollandsche Veld in Drenthe. Er is bijzonder weinig te beleven, het ligt daar gewoon. Het is ooit eind 18de eeuw als veenwerkersdorp ontstaan op een kruispunt van twee kanalen, de zogeheten ‘wijken’ (spreek uit: wieken), waar een verbindingskanaal werd gegraven. Dat werd het Dwarsgat, lange tijd de officieuze benaming van het dorp, dat pas rond 1920 de naam Elim kreeg, vernoemd naar een oud-testamentische oase in de Sinaï.

Het leven in het Drentse Elim was zwaar en armzalig, tot midden jaren 1950 was er nauwelijks stromend water of elektriciteit. De bewoners waren inderdaad turfgravers, dat klopt, maar verder heeft het Elim uit Publieke Werken helemaal niets van doen met het werkelijke Elim. Roosenbooms Elim is pure fictie en ik heb begrepen dat de opnamen voor de film grotendeels in Hongarije zullen plaatsvinden en niet in Drenthe. Waarom zouden ze ook?

Mijn geboortehuis, de pastorie naast de kerk. Ansichtkaart (Reliwiki)

Mijn geboortehuis, de pastorie naast de kerk, tegenwoordig een Rijksmonument. (Reliwiki, Ansichtkaart)

Niettemin bestaat Elim echt en ik kan het weten, want ik ben er namelijk geboren, in 1957. Dat is vooral het allerleukste aan Elim. Het dorp, met toen misschien iets meer dan 1000 inwoners, begon zich in die tijd net wat te ontworstelen aan die 19de-eeuwse armzaligheid. Mijn vader, die er beginnend dominee was, heeft daar nog een stimulerende rol in gespeeld. Zoals het familieverhaal wil was hij, samen met de plaatselijke huisarts, dokter Brouwer, de weldoener die Elim stromend water en elektriciteit gebracht heeft.
Zijn eigen gezin heeft hij tijdig aan Elim ontworsteld, want ik was nauwelijks 6 maanden oud toen wij er weggingen, terug naar het Westen en de Kust. Herinneringen aan Elim heb ik daarom niet, maar toch wel een beetje, want in later jaren gingen we er nog wel eens langs om mensen te bezoeken. Een scheutje Elim is er daarom toch wel in mij achtergebleven. En altijd als ik die naam ergens tegenkom moet ik even glimlachen.

Read Full Post »

 

Frederik Eke van der Zee in actie op de kansel. Egmond aan Zee, begin jaren '60.

Ds F.E. van der Zee in volle actie op de kansel. Egmond aan Zee, begin jaren ’60. De preekstoel is versierd met het wapen van West-Friesland.

Mijn vader heette Frederik Eke van der Zee. Hij leefde van 1923 tot 1983 en was vanaf 1951 tot zijn dood dominee van de Nederlandse Hervormde kerk. Nu heeft het gegeven dat je vader dominee is behoorlijk wat invloed op je jeugd. Niet alleen kijken sommige vriendjes je wel eens meewarig aan, of ze denken dat je vader een luizenleven heeft omdat hij immers alleen op zondagmorgen hoeft te werken. Met je vader voetballen op straat zit er ook niet in, want tja, de dominee die op straat loopt te voetballen, nee, dat kon toch echt niet, toen.

Domineesgezinnen leven in een glazen huis, een dominee is 24 uur per dag, 7 dagen in de week, in functie en kan zich nauwelijks frivoliteiten permitteren. Er is geen ontkomen aan, misschien alleen tijdens vakanties en dan nog moet je oppassen dat je niet bij toeval gemeenteleden tegenkomt. Collega-domineeskinderen hoef ik dat niet uit te leggen, maar de anderen moeten dat wel even weten. Een dominee die zijn tuintje staat te schoffelen krijgt soms al direct commentaar: “Zo, dominee, ook eens echt aan het werk?”

Natuurlijk moet een dominee ook op andere dagen dan alleen de zondagen werken, sterker, ik weet zeker dat mijn vader meer uren per week draaide dan de gemiddelde vader van de vriendjes uit mijn schoolklas. Vergaderen, huisbezoek, ziekenbezoek, nog meer vergaderen, studeren. De dag die bij ons vroeger thuis de werkdag bij uitstek was, was de zaterdag. Op zaterdag diende immers De Preek geschreven te worden.

De zaterdag stond totaal in het teken van de Preek, de deadline was scherp, op zaterdagavond moest hij klaar zijn. Daarom meestal geen zaterdagse uitjes, zoals in andere gezinnen, of winkelen, of naar de zaterdagmatinee in de bioscoop. Geen feestjes ook, want rust moest heersen. Vader zat in de studeerkamer en werkte aan zijn Preek. Dat werd er bij mij al vanaf mijn vroegste jeugd ingestampt. Een van de eerste zinnetjes die ik kon zeggen was ‘peke maken‘. Papa peke maken, oftewel: papa moet zijn preek maken en dan moet je stil zijn. Dat klinkt misschien wat strenger dan ik het het toen werkelijk ervoer, maar het is me wel altijd bijgebleven.

Mijn vader is inmiddels al vele jaren dood, maar telkens als ik naar mijn eigen werkkamer ga, zoals nu bijvoorbeeld en me gereed maak om dit soort stukjes te schrijven, dan hoor ik mezelf weer als peuter terug: peke maken, papa peke maken.

 

Read Full Post »

cornelis helena hoogendonk 13-7-1860 Johannes1825 leendert alexander eijgenraam 1-12-1863

Onlangs kwam ik de term ‘achtendelen’ tegen in een boek over genealogie en heraldiek: je achtendelen. Het is een wat verouderde term waarmee bedoeld wordt: de acht personen die je overgrootouders zijn. Dit zijn mijn achtendelen.

Haring Jansz van der Zee (Franeker 1851 – Sexbierum 1924)  – opzichter waterstaat
Engeltje Ekesdochter van der Velde (Achlum 1850 – Sexbierum 1923)

Frederik Kerkhof (Dordrecht 1851 – Delft 1930)  – houtzaagmolenaar
Lena Bout (Wateringen 1861 – Schipluiden 1936)

Leendert Alexander Eygenraam (Delft 1863 – Delft 1949) – tuinder
Carolina Helena Hoogendonk (Voorburg 1860 – Delft 1930)

Jacob van der Kooij Dzn (Vrijenban 1854 – Delft 1919)  – tuinder
Cornelia de Bloois (Maasland 1857 – Delft 1930)

Een mooi stel bij elkaar. En als je achtendelen hebt, dan heb je ook zestiendelen. Hier zijn ze:

Jan Haringszoon van der Zee (Heeg 1818 – Franeker 1889) – meesterscheepstimmerman
Sytske Jans Boersma (Franeker 1820 – Franeker 1892)
Eke Tjeerd van der Velde (Achlum 1820 – Achlum 1893)  – grofsmid
Blijke Arjensdr de Vries (Achlum 1819 – Achlum 1891)

Jan Kerkhof (Dubbeldam 1819 – Delft 1914)  – houtzaagmolenaar
Ida Mijnders (Dordrecht 1822 – Dordrecht 1879)
Christoffel Bout (Delft 1832 – Gouda 1908)  – houtzaagmolenaar
Maria Elisabeth Hagers (Maassluis 1839 – Gouda 1924)

Johannes Eygenraam (Delft 1825 – Delft 1907) – warmoezier
Adriana Brouwer (Meerdervoort 1824 – Delft 1867)
Dirk Hendrik Hoogendonk (Voorburg 1835 – Voorburg 1908)  – tuinder-koopman
Kornelia Don (Vlaardingen 1836 – Voorburg 1883)

 
Dirk van der Kooij (Vrijenban 1830 – Vrijenban 1902)  – tuinder
Maria Camfferman (De Lier 1828 – Vrijenban 1898)
Cornelis de Bloois (Maasland 1825 – Delft 1914) – tuinder
Kommertje Huis (Maassluis 1830 – Delft 1894)

 
Eveneens een fraai stel. Bijna niemand verhuist in zijn leven verder dan 40 kilometer van zijn geboortegrond en er wordt niet gescheiden. Honkvast volk.

Read Full Post »

De eerste pagina van de Treurzang. Deze telt in totaal vier pagina's handschrift. (Bron: eijgenraam.net)

Eén van mijn voorouders was een warmoezier, een tuinder. Nu bestaat het merendeel van mijn voorouders aan moederszijde uit tuinders en warmoeziers, maar het bijzondere aan Abram Eijgenraam (1798-1845) is dat hij literaire sporen heeft nagelaten in de vorm van een treurzang aan zijn overleden echtgenote.

Abram Eijgenraam uit Delft trouwde op 9 mei 1821 in Delft met Maartje Makkes (1795-1827). Zij was een dochter van Johannes Makkes, een Delfshavense scheepmaker, oorspronkelijk afkomstig uit Gladbach in de Palts en de Rotterdamse Grietje Blankhart.
Abram en Maartje kregen vier zonen die allemaal bleven leven.
In september 1827 sloeg echter het noodlot toe. Maartje overleed aan een korte, maar hevige ziekte. Naar aanleiding daar van schreef Abram Eijgenraam het onderstaande, hartverscheurende gedicht. Ze moeten werkelijk van elkaar gehouden hebben, de dichtende warmoezier en zijn lieve vrouw.

Het einde van het gedicht met daaronder de handtekening van Abram Eijgenraam


Treur-zang op het droevig en onverwagt afsterve
 van mijn Waardige huysvrouw maartje makkes
, echtgenood van abram eijgenraam, 
in den bloeijenden ouderdom van 32 jaren 7 maande, 
op den 5 van hervstmaand 1827


Ik die voor deeze zong de vrolijkste gezange

moet nu helaas mijn harp aan sombre wilge hange

mijn huysvrouw mij ontrukt brengt mij in deze nood

‘k zie haar helaas te vroeg verslonde door de dood

aan wie zal ik dit leed dit droevig leed nu klaage

bij wie zal ik nu troost of hulp of raad gaan vrage

bij menschen is dit tog voor mij niet meer te vinde

ag neen mogt ik mij maar aan s heeren vrees verbinde

die wil alleen tog ist die heede moest geschien

ag heere schenk mij hulp en leer mij hier op zien


Misschien vraagd iemand mij, hebt gij nog lust tot digte

ja zeg ik maar waarom het is omt hart te ligten

te ligten van die last die t naauwlijks kan draage

daar k niemand in mijn nood met woorde zoo kan klaage

is niet een droeve slag voor menschen in dit leeve

twee harte vast gesnoerd door d’edle trouw verheeven

die reeds vier telgen uijt haar huwlijk zage spruijte

waar nimmer twist of nijd het liefde vuer kwam stuijte

wij pleegde in elk geval te samen raad en daat

zoo leefde wij vergenoegt te vreede met ons staad


Ons tafel was versierd niet met de keus van speize

maar met de matigheid en fraaijye levensweijze

geen ramp of tegenspoed kwam onze welvaard stoore

maar heil en zegening deet onze harte gloore

gezontheid en geluk ver-zelde onze schrede

door liefde en eenigheid bleef t huijsgezin in vreede



Ons teder lievend kroosd sprong huppelend aan ons zijde

wij mogten dus met regt int huwlijk ons verblijde

elk had zijn bezigheen en was het tijd van ruste

dan mogte w’ons dikwils nog met ons gezin verluste

trots op elkanders doen elk met zijn staad te vreede

was d’een niet welgemoed den andre sprak met reede

dus kon de zwarte nijd op ons geen voordeel haale

de liefde zon blonk hier als met zijn gulde straale


Dit vooregt had ik dan zes jaare en vijf maande

waar na de heere mij een droeve kruijsweg baande

daar hij mijn wederhelft aan t ziekbet nedersloeg

dit was reeds een slag maar nog niet zwaar genoeg

ag neen de bleeke dood kwam kloppe aan ons wooning

sprak ons als waare toe ik ben dien schrikbren kooning

die alt genoege dat gij hier op aard mag smaake

in eenen korte stond tot treurigheid zal maake

hier moet de artsenij met al haar kunst verdwijne
v
oor mij wast nimmer kruijd geen kragt der medisijne

kan aan mijn scherpe seijs deminste naadeel doen

wien ik kom wenke, moet zig met mij grafwaards spoen


Dit moest ik dan helaas int kort ook ondervinde

de dood ontziet geen mensch geen nabestaande of vrinde

mijn weder-helft wierd van mijn zijde afgescheurd

wie is er die met mij om zulken slag niet treurd

daar legt nu al mijn hoop daar legt nu mijn vertrouwe

op wien ik al mijn troost en uijtzigt had gaan bouwe

met wien ik raad en daad ging pleege in den nood

daar legt zij nu ontzield verslonde door de dood

en ik moet hier bedrukt aan deze zijde blijve


Wat tonge maald mijn smart wat penne kant beschrijve

de ramp die mij nu treft is waarlijk niet gemeen

ik draag dit ongeval tog grootendeels alleen

Zie ik mijn jeugdig kroosd aan mijne zijde zweeve

dit kan mij het is waar soms wel genoege geeve

als zij mij teeder – als haar vader – koome vleijye


dan doet dit mij soms wel een droeve traane schrijye

dat ik haar niet zoo teer als moeder kan beminne

geen vader kan dit tog van moeders overwinne

de reede hier van kan wel ligt een ider gissen

zij moeten dan helaas hun moeders liefde missen

de verdre zorg voor hun blijft mij aan t harte kleeve


God wensch ik zal mij hier de hulp en kragte geeven

de treurigheid doet mij somwijle bitter zugte

als ik mijn tijd herdenk en al de zoete vrugte

die t huwlijk geven kan wel rede dat hij treurd

die zulk een nauwen bant zoo plots ten ziel verscheurd

k voel meenig werf mijn hart van droefheid overrompeld

mijn naaste nevens mij in diep rouw gedompeld

dit alles en nog meer doet mij veel smerte aan

daar k overal haar plaas vind leeg en open staan.

Mijn wooning waar onlangs de liefde triumfeerde

mijn legerstee waar steeds de stille rust regeerde

zijn bijde nu verwoest ik leg mijn hooft wel neder

op t eensaam leger maar ik vind haar nimmer weeder

zie ik haar somber graf t is of er staad geschreve

hier legt u dierbaar pant het leeven van mijn leeve


Ik betreur in haar een vrouw voor mij een trouwe hoeder

voor jong onozel kroosd een teder minnend moeder

zij was mijn hartsvriendin de leijdsvrouw mijner jeugd

de voedster mijner min de kroon van mijne vreugd

maar k breek hier nu van af t zijn droeve nagedagte

die mijn mijn ongeval int minste niet verzagte

‘k wil liever nog bedaard te rug naar t sterfbet keere

want daar was ook voor mij veel nuttigs uijt te leere


Want toen zij d’eerste maal het veege spond beklom

was daadelijk klaar dat zij nooijd wederom

gezond weer op zouw staan maar dat zij hier zou sterve

maar dat ze ook tevens hoopte een beter goed te erve

het goed waar na zij in haar yeugd reeds hat gezogt

haar rijper leeftijd was met ernst hier aan verknogt


en t veege sterfbet dat mij weer terug doet keere

heeft steeds aan mij ook nog die hoop doen vermeere

want schoon dit smertelijk was en met veel pijn omgeve

is egter haar die grond in genen deel ontheeve

die grond waar op zij in haar leeven steeds ging bouwe

geloof ik dat zij nu de vrugt van mag aanschouwe

en dat zij daar gewis een beter standplaats heeft

daar zij van zorg ontlast in volle vreugde leeft

waar nimmer meer verdriet of moeijte word vernome

leefd zij in heerlijkheid bij alle waare vroome.

Vaarwel dan mijn vriendin, vaarwel mijn uijtverkoore

hoe dikwils koome mij u lesse nog te voore

ag dat ik die ook maar met ernst mogt nabetragte

dan had ik zeker ook een beter goed te wagte

en gij mijn dierbaar kroosd dat u verlies niet kende

ag dat de Heere nog t gebet goedgunstig wende

dat zij zoo menigwerf voor u heeft uijtgestord

k hoop dat het eenmaal nog in u bevestigd word

en moet ik dit verlies hier voor een tijd betreure

ag dat het mij dan tog ook eenmaal moog gebeure

haar spoor te volge na al is het soms wat smal

loopt uijt op kana-an daar weerzien gelde zal



Abram Eijgenraam

(Bron: met dank aan Jan Eijgenraam en de Eijgenraam-website. www.eijgenraam.net)

Read Full Post »

Friese palingaken, aangemeerd aan hun vaste ligplaats, bij de vismarkt van Billingsgate op de Theems in Londen. Foto rond 1900, Collectie Fries Scheepvaartmuseum, Sneek.

Froukje Klases werd geboren in 1778 in Tjalhuizum, een dorpje even ten noordwesten van Sneek. Ze was de derde dochter van Klaas Piers en Bieke Klazes Jellema. Klaas Piers was ‘huisman’, landbouwer. Het was een eenvoudige boerenbedoening op het Friese platteland. De voorouders van Froukjes moeder waren ooit in betere doen geweest en heel in de verte zelfs gelieerd aan de Roorda’s van Tzummarum, een familie van grondbezitters en grietmannen. Maar dat was allemaal lang geleden. Het bezit was verwaterd, het land verarmd. Het doopsgezinde geloof had plaats gemaakt voor het hervormde.

Eind 18de eeuw was het gezin naar Heeg verhuisd. In Heeg was werk, daar werden schepen gebouwd. Daar werd vis verhandeld en veel geld verdiend. Klaas Piers had de achternaam van zijn vrouw aangenomen, nog vóór het verplicht werd. Klaas Piers Jellema heette hij nu en zijn dochter Froukje Klases Jellema, ook al kon ze haar eigen naam niet schrijven.

In Heeg leerde Froukje de schippersknecht Harmen Freerks kennen. Een stoere zeeman. Hij voer als stuurman op een palingaak onder schipper Age Lourens Wildschut. De palingaken waren stevige houten zeilschepen, geschikt voor de vaart op zee, maar hadden slechts een bemanning van drie. Ze beschikten over een grote bun in het ruim waarin de paling levend werd vervoerd. Die paling werd in Heeg overgeslagen en verhandeld, en daarna vervoerd naar Londen. De Friese palingaken hadden sinds jaar en dag hun eigen toegewezen ligplaatsen op de Theems, vlakbij London Bridge, een oeroude traditie, die mogelijk terug gaat op middeleeuwse tijden en privileges.

Froukje Jellema en Harmen Freerks trouwden in 1806. Misschien was ze al zwanger. Hoe dan ook, in 1807 werd hun dochter Riemke geboren. Later dat jaar bereikte Froukje de droeve tijding dat haar man Harmen in Londen overboord was geslagen en in de Theems verdronken. Heeft hij zijn dochter nog gezien of zat hij al in Engeland? De tijden waren zwaar, de handel van Nederland met de rest van de wereld was zo goed als tot stilstand gekomen. Het Koninkrijk Holland, sinds 1806 een vazalstaat van Frankrijk onder koning Lodewijk Napoleon, was in voortdurende oorlog met Engeland. Ook de palinghandel verging het slecht. Heeg was in crisis.

Notariële akte van 8 mei 1818, waarin de dood van Harmen Freerks wordt bevestigd door twee schippers van de palingschepen, Age Lourens Wildschut en Roelof Lourens Bovenkamp.

Daar zat Froukje dan, een weduwe met kind. Op zichzelf aangewezen. Gelukkig had ze familie die haar een beetje ondersteunde. Haar schoonzus, Antje Freerks, was getrouwd met meester-scheepstimmerman Haring Tjibles, bouwer van palingaken en andere houten schepen. Froukje werd dienstbode in het scheepsbouwersgezin, dat drie kinderen telde. Haar rol in het gezin werd in de loop der jaren steeds belangrijker, zeker nadat Antje ziek was geworden. In 1815 overleed Antje Freerks, na een ‘langdurige sukkeling’ zoals haar overlijdensakte vermeldt.

Het lag voor de hand dat Froukje de moederrol in het gezin overnam, in meer dan één opzicht. Haring Tjibles had inmiddels de achternaam Van der Zee aangenomen. Froukje raakte zwanger van hem en op 13 mei 1818 werd hun zoon Jan geboren. Een maand later, op 6 juni 1818, trouwden Haring Tjibles van der Zee en Froukje Klases Jellema voor de wet op het stadhuis van Heeg. Eerst schoonzus en zwager, nu man en vrouw, een situatie die op het platteland meer dan eens voorkwam, en niet alleen in Friesland. De akte werd opgemaakt, de voorgaande huwelijken van bruid en bruidegom werden nauwgezet in de huwelijkse bijlagen vermeld. Froukje echter kon nog steeds niet schrijven.

Het gezin telde in totaal zes kinderen: drie kinderen uit het huwelijk van Haring en Antje, en de dochter van Froukje. Haring en Froukje kregen na Jan (1818-1889) nog een dochter, Bieke (1821-1865). Bieke trouwde met een Harlinger ‘gleibakker’ (geglazuurd aardewerk). Jan werd ook scheepsbouwer en verhuisde naar Franeker, waar hij begin jaren ’40 een scheepswerf begon op Zevenhuizen.
Froukje van der Zee-Jellema, mijn ‘oud-moeder’ (6de generatie), overleed in Heeg, op 21 oktober 1834, 56 jaar oud.

Read Full Post »

Familiegeschiedenis in de breedte (2)

Een mens heeft 2 ouders, 4 grootouders, 8 overgrootouders, 16 betovergrootouders, 32 oud-ouders, 64 oud-grootouders, 128 oud-overgrootouders, 256 oud-betovergrootouders, 512 stamouders, 1024 stam-grootouders. Enzovoort. De reeks lijkt – niet toevallig – op het aantal bits en bytes in computersystemen.

Dat we zoveel voorouders hebben is natuurlijk een open deur. Toch gaat de belangstelling van veel mensen die zich oppervlakkig met hun voorouders bezig houden maar uit naar één lijntje: de vaderlijke lijn, aan wie de meeste mensen hun achternaam te danken hebben. Voor heel veel mensen gaat hun kennis trouwens nauwelijks verder dan hun grootouders.

Inmiddels houd ik me al een paar jaar bezig met voorouderonderzoek. Die 1024 voorouders heb ik nog niet geïdentificeerd en dat zal ook nooit lukken, al was het maar omdat er altijd wat onbekende vaders en ongehuwde moeders tussendoor lopen. Maar een paar honderd heb ik er al wel en ook heb ik inmiddels globaal een idee waar die mensen vandaan kwamen en tot welke bevolkings- en beroepsgroepen ze hoorden. En dat is fascinerend.

De naamgevers van mijn achternaam (en hun voorouders) waren Friezen, allemaal. Ik ben werkelijk voor een kwart Fries. Mijn Friese voorouders waren voornamelijk schippers, smeden, timmerlieden of scheepsbouwers. Veel scheep- en schuitenmakers.
Met het overige driekwart is het wat diffuser gesteld, maar als je eenmaal een paar honderd jaar terug in de tijd gaat, tekent zich een zeer Hollands patroon af. Zeer Zuid-Hollands, om precies te zijn. Heel veel tuinders en warmoeziers uit het Westland en langs de Maas. Landarbeiders en kleine boeren uit Maasland, Pijnacker, Vrijenban en Meerdervoort (bij Zwijndrecht). Havenwerkers en zeelieden uit Vlaardingen en Schiedam, schippers en stuurlieden. Houtzagers en sjouwers uit Maassluis, Brielle en Dordrecht. Molenmakers, timmerlieden en een enkele harnasmaker uit Delft, de uitzondering die de regel bevestigt, want hij zat in de metaal en niet in het hout. Knuisterig volk.

Al die voorouders woonden in de buurt van water en deden daar wat mee. Ze bevoeren het of maakten schepen en molens. Ze zaagden het hout dat stroomafwaarts werd gebracht. Sommigen bewerkten tuinen bij die rivieren en verkochten groenten in de stad. Kan het Hollandser?

Mijn voorouders waren behoorlijk honkvast. Die ene die begin 20ste eeuw de grenzen van Friesland achter zich liet en zorgde voor dat kwart friezendom in mijn DNA, bleek uiteindelijk de meest reislustige van het hele stel, door economische nood gedwongen. Voor de overigen vormde dat welvarende Zuid-Holland hun wereld die ze nooit voor langere tijd verlieten. Waarom zouden ze ook? Ik ga ze steeds beter begrijpen, alle 1024, 2048, 4096, 8192, 16384, 32768…..

Read Full Post »

Older Posts »