Feeds:
Berichten
Reacties
02-baerdze-1481-mr-wa-schpvrtmsm

Een ‘baerdze’ met averij, getekend omstreeks 1481 door ene ‘Mr WA’. Scheepvaartmuseum Amsterdam

“Een baardze bouwen, weer wat nieuws”.
De Goudse scheepstimmerman Dirk Malgerszoon had er de halve nacht van wakker gelegen. Die middag, 17 mei 1438, was een gezant van de stad bij hem op de werf langs geweest met de opdracht dat hij, op last van het stadsbestuur en de grafelijke overheid, een baardze diende te bouwen. En het schip moest vóór Pinksteren op stapel worden gezet. Dat was al over twee weken! “Mag het misschien een crayer zijn?”, zo had hij nog voorzichtig geïnformeerd. Met crayers had hij veel ervaring. Hij en zijn vader bouwden de beste crayers in de wijde omgeving. Zelfs de koning van Engeland had ze indertijd ingehuurd om zijn leger over het Kanaal naar Frankrijk te brengen. Hij had de mallen nog op zolder liggen en kon bij wijze van spreken direct aan de slag. Maar de afgevaardigde was onverbiddelijk geweest. Een baardze moest het worden en hij moest bovendien zó groot worden gemaakt dat hij op volle zee gebruikt zou kunnen worden. Orders van de hoge heren in Den Haag en uiteindelijk van de hertog zelf.

Het was daarmee onontkoombaar. Dirk Malgerszoon piekerde voort die nacht. Hij had nog nooit een baardze gebouwd en bezat geen flauw idee hoe hij dat moest aanpakken. Hij had zelfs ternauwernood een baardze gezien in zijn leven. Had het schip nou één of twee masten? Of drie? Moest er ook nog een voorkasteel op? Wat was dan de kiellengte? En hoe breed zou hij de voorsteven moeten maken? Hoeveel moest die vallen? Hoeveel hout zou hij nodig hebben? Al dat soort voor scheepsbouwers essentiële informatie ontbrak hem ten enenmale. Plotseling kreeg hij een ingeving. Het was weliswaar hoogst ongebruikelijk dat scheepsbouwers hun ambachtelijke geheimen met elkaar deelden, maar zou deze situatie niet uitzonderlijk genoeg zijn om de stap te zetten andere scheepsbouwers in Holland te bevragen hoe zij dit deden? In Amsterdam bijvoorbeeld, hij wist dat ze daar zeker ervaring hadden met het bouwen van baardzen. Zou hij niet gewoon de stoute schoenen moeten aantrekken en naar Amsterdam afreizen om daar te onderzoeken hoe je het best zo’n schip moest bouwen? Zijn collega’s daar hadden vast begrip voor zijn positie en zouden zeker bereid zijn om hun kennis met hem te delen. Hij was toch niet van plan hen concurrentie aan te doen, dus wat hadden ze te vrezen? Ze zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje met die opdracht vanuit Den Haag. Zijn besluit stond vast. Morgen zou hij bij het stadsbestuur om een toelage verzoeken voor een studiereis naar Amsterdam. Tevreden voor dit moment sliep hij in.

Zo zou het gegaan kunnen zijn. Het bovenstaande verhaal is weliswaar een beetje door de fantasie ingevuld, maar de kern berust wel degelijk op waarheid. In de Goudse stadsrekening over het jaar 1438 vinden we de vermelding dat er aan Dirk Malgerszoon een bedrag is betaald van 15 placken om in Amsterdam te gaan kijken hoe een baardze in elkaar steekt om een zelfde soort schip na te kunnen maken.

Gegheven Dirc Malgerssoen van dat hij toech tot Aemsterdam om te besien dat maecksel vanden baerdse om een andere daer nae te maken, verteert en voir syn loen xv placken;1

Blijkbaar heeft Dirk die Amsterdamse baardze succesvol kunnen aanschouwen, want het vervolg van de post vermeldt dat hem het bedrag van 115 schild is betaald om daadwerkelijk een baardze te bouwen. Dat is een flink bedrag waar je een heleboel graan voor kon kopen. Daarnaast is het gegeven dat anno 1438 een Goudse scheepstimmerman bij een Amsterdamse collega langs ging om diens werk te bestuderen en ook nog wijzer geworden naar huis terugkeerde tamelijk bijzonder. Bedenk daarbij dat in deze periode nog lang geen sprake was van overdraagbare technische scheepstekeningen. Zelfs bouwbeschrijvingen in tabelvorm, zoals we die uit de 17de eeuw kennen, bestonden nog niet. Dirk moet het Amsterdamse schip een paar keer om zijn gelopen, als het nog op stapel stond, erin hebben gekeken, een ruwe meting hebben gedaan van de afmetingen en verhoudingen; een schatting hebben gemaakt van de materiaalbehoefte en deze gegevens vervolgens in zijn hoofd, op een leitje of op een stukje papier, hebben genoteerd en dat was het dan. Voor een ervaren scheepsbouwer was dat genoeg informatie om daadwerkelijk een schip te kunnen bouwen.

Dirk Malgerszoon kreeg van het Goudse stadsbestuur ook nog een mantel ter waarde van één schild kado. Of dit een bonus was voor het succesvol afleveren van de baardze staat er helaas niet bij. Het kon er blijkbaar af, want diezelfde stadsrekening over 1438 vermeldt een grote hoeveelheid uitgaven aan timmer- en metselwerk, voor reparaties aan torens, bruggen en muren, bestrating en werk aan het stadhuis. Alles als gevolg van de grote brand die datzelfde jaar in augustus in de stad had gewoed. Ook aan die reparaties had Dirk Malgerszoon bijgedragen. Hij was dus blijkbaar niet alleen timmerman van schepen, maar ook van andere houten constructies. Dirk duikt later nog één keer op in de stadsrekening, zij het postuum. In 1439 wordt een bedrag van vier gulden uitgekeerd aan zijn weduwe als betaling voor de leverantie van planken die voor het herstel van een brug waren gebruikt.2 Misschien heeft hij zijn baardze nog voor zijn dood te water zien gaan, laten we het hopen.

Nog even over de achtergrond van dit verhaal en de context van deze Goudse scheepsbouwexercitie. In een oorkonde van 16 mei 1438, die was uitgevaardigd door Raad en Ridderschap van Holland en Zeeland namens de landsheer, hertog Filips de Goede, was aan meer dan 70 steden en dorpen in Holland en Zeeland opgedragen om een groot aantal baardzen te bouwen in verband met de oorlog tegen de Wendische steden.3 Het zou mooi zijn geweest als we ook in andere stadsrekeningen uit deze periode gegevens hadden kunnen vinden die de bouw van de nieuwe oorlogsschepen zouden bevestigen, maar jammer genoeg zijn de meeste stadsrekeningen uit de vroege 15de eeuw niet meer bewaard gebleven. Brand, opzettelijke vernietiging of gewoon zoek raken zijn daar debet aan. Zo is het grootste deel van het Delftse archief vernietigd tijdens de stadsbrand van 1536 en is het Amsterdamse middeleeuwse stadsarchief voor een belangrijk deel opgeruimd in de 18de eeuw. Het Haarlemse archief bezit wel een doorlopende reeks stadsrekeningen, maar uitgerekend het jaar 1438 ontbreekt in deze reeks. In de rekening van een jaar later, over 1439 vinden we geen gegevens die op enige wijze verwijzen naar de oorlogsinspanning. Leiden, Rotterdam noch Alkmaar bezitten rekeningen meer uit deze periode. Dat ondanks de stadsbrand het Goudse archief met de stadsrekening en de summiere, maar veelzeggende, gegevens over de baardzenbouw ter plaatse bewaard is gebleven, mag daarom een klein wonder heten. Soms blijkt een snipper middeleeuws papier genoeg om een heel verhaal te kunnen reconstrueren.

(met dank aan Sjoerd de Meer voor de tip die tot deze archiefvondst leidde)

Noten

1 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1438, inv. nr. 1126, f 19v.

2 Stadsarchief Gouda, Stadsrekening 1439, inv.nr. 1127, f 27v.

3 Ad van der Zee, ‘De vloot van 1438’, in Holland Historisch Tijdschrift 2016-3/4, pp. 126-132.

Advertenties
wimiiflov
Graaf Willem II (1234-1256) en zijn zoon Floris V (1254-1296), twee beroemde graven van Holland. Paneel uit de portrettengalerij van de Hollandse graven in het stadhuis van Haarlem (eind 15de eeuw).

Voor mij, die nog op een tamelijk ouderwetse wijze middelbaar onderwijs heeft gehad en later geschiedenis is gaan studeren -middeleeuwse geschiedenis zelfs- is het begrip ‘het graafschap Holland’ volkomen gesneden koek. Ik heb nog op school geleerd dat het graafschap de middeleeuwse voorloper was van de Nederlandse staat, dat er door tal van verwikkelingen, zoals de 80-jarige oorlog, een andere staatsvorm ontstond – de Republiek- en dat die in 1813 werd opgevolgd door het Koninkrijk der Nederlanden, even kort door de bocht gezegd. Het verbaasde me daarom nogal toen ik er onlangs achter kwam dat dergelijke basiskennis lang niet bij iedereen aanwezig is. Goed, wanneer je nú de straat op loopt en de eerste 10 voorbijgangers zou vragen: ‘Kent u het graafschap Holland’, zou je in zeker 9 gevallen wazige blikken ontmoeten. Bij het grote publiek is het begrip behoorlijk onbekend, dat wil ik wel geloven, maar dat ‘het graafschap Holland’ ook bij academici en iets jongere collega’s op niet meer dan een vage notie kan rekenen, dat had ik niet verwacht.

Mijn moeder (geboren in 1922)  kon nog moeiteloos via een ezelsbruggetje alle graven uit het Hollandse Huis opsommen: Dikke, dikke, Arnoud, dikke, dikke Flo. Dik Flo, Dik Flo, dikke Ada, Wim Flo, Wim Flo, Jan Eén. Ikzelf heb dat rijtje van Dirken, Willems en Florissen al niet meer hoeven leren en vandaag de dag is kennis over het graafschap Holland tot het domein van een select gezelschap historisch specialisten gaan behoren. De groep die het graafschap Holland nog op school heeft moeten leren wordt allengs kleiner.

Wat is er gebeurd? Waarom kennen velen het graafschap Holland niet meer zoals dat lange tijd wel gebruikelijk was? Blijkbaar was er de laatste jaren minder behoefte aan ‘Holland’, zo zou je kunnen veronderstellen. Het wordt niet meer standaard onderwezen op middelbare scholen, hooguit nog in projectmatige vorm. ‘Holland’ was daarvoor een begrip dat op bepaalde momenten in de geschiedenis goed van pas kwam, vanuit het oogpunt van nation building, van identiteit of van nationalisme. Of alles tegelijk, de late 19de eeuw was er sterk in om zijn historische wortels te verheerlijken vanuit een nationaal perspectief. Zoiets blijft decennia doorwerken en dan is het begrijpelijk dat de schoolboekjes die scholieren zoals mijn moeder in de jaren ’30 te zien kregen nog veel 19de-eeuws ‘nationalistisch’ Holland bevatten.

De geleerden die in de late 16de eeuw de ideologische kant van de oorlog tegen Spanje vorm gaven hebben evenzeer bijgedragen aan een traditioneel Holland-begrip. Zij moesten immers een land bedenken dat in opstand kwam tegen zijn wettige heerser en grepen niet alleen terug op een gedroomd Bataafs verleden, maar ook op het graafschap Holland dat in die tijd feitelijk nog bestond en in hun ogen alleen een andere soeverein nodig had.

Het graafschap Holland heeft werkelijk bestaan, maar is in veel opzichten ook een constructie, waarvan de vorm en betekenis varieert met de tijd. Door de eeuwen heen schept men telkens een ander Holland, al naar gelang de behoefte aan een voorbeeld uit het verleden. En kennelijk was die behoefte de laatste decennia verminderd.De schoolboekjes besteedden meer aandacht aan grote internationale thema’s, zoals kolonialisme of migratiestromen dan aan de geschiedenis van één bepaalde regio in het huidige Nederland. En parate feitenkennis, zoals de namen van de opeenvolgende graven, speelt al helemaal een ondergeschikte rol.

Tot opeens het jaar 2018 in beeld komt en politici en beleidsmakers in West-Nederland zich gaan afvragen of er de komende jaren nog iets te herdenken valt. En dan is het Bingo! Want was het niet zo dat in 1018 een lokale mannetjesputter, de graaf van Holland, in de buurt van Vlaardingen een compleet Duits ridderleger in de pan had gehakt? Stond deze graaf Dirk III daarmee niet direct aan de basis van de Hollandse onafhankelijkheid en de Hollandse identiteit? En kunnen we daarom niet binnenkort het 1000-jarig bestaan van Holland vieren? Zeg maar?

Identiteitsconstructie is een belangrijk item in de moderne geschiedschrijving. Door de studie van het verleden, in een gewenste context, voorziet men zichzelf van een bepaalde historische identiteit en die behoefte is onverminderd groot. Juist ook nu, zou je kunnen zeggen. Autochtonen willen hun positie bepalen tegenover nieuwkomers, maar tegelijk willen we de nieuwkomers ook iets vertellen over de oorsprong van het land waar ze in terecht zijn gekomen. Historische identiteit kan zowel afstand scheppen als verbinden. Grotere politieke eenheden, zoals de Europese Unie, zetten het traditionele nationalistische zelfbeeld onder druk, maar zorgen er ook voor dat mensen gaan zoeken naar andere, soms oudere, culturele verbanden. De zoektocht naar de Hollandse identiteit en zijn middeleeuwse wortels is weer helemaal actueel. En daarom zal ik de komende tijd in diverse blogs me eens wat vaker gaan bezighouden met het middeleeuwse graafschap Holland.
Het is in dit wat theoretische kader natuurlijk niet écht belangrijk en mogelijk zelfs wat triviaal, maar zou het toch niet aardig zijn als er binnenkort weer wat meer Hollanders zouden zijn die kunnen opsommen wie hun heersers van weleer waren?

Dikke, dikke Arnoud, dikke, dikke Flo...

(Wie meer wil weten over de afzonderlijke graven van het graafschap Holland tussen 900 en -formeel- 1581, lees vooral het boek van Dick de Boer en Erik Cordfunke, Graven van Holland uit 2010.)

Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

26 Vinetaduin

Het Vinetaduin in Hoek van Holland: bunkers, zendmasten en veel fraaie duinen

Voor mijn werk kom ik vaak in Hoek van Holland. In het duingebied vlak aan zee, grenzend aan de Nieuwe Waterweg bouwden de Duitsers vanaf 1943 een reeks bunkers in het kader van de Atlantikwall. Zij maakten daarbij gebruik van enkele kustbatterijen die al in de jaren ’30 door het Nederlandse leger waren aangelegd en bekend stonden als Batterij V. De Duitsers bouwden het gebied in het Hoekse duin uit tot een van de machtigste steunpunten van de Festung Hoek van Holland en noemden die Vineta. Het duingebied staat tot de dag van vandaag bekend als het Vineta-duin. Met de klemtoon op de e.

Het is een mooie naam, Vineta, en gaat werkelijk ver terug als naam voor een legendarische stad die tussen 800 en 1180 ergens aan de Oostzee moet hebben gelegen. In de sagen en legenden staat hij bekend als een emporium, een rijke handelshaven waar de hele toenmalige wereld zaken kwam doen. Het verhaal gaat dat ergens aan het einde van de 12de eeuw de stad Víneta (met de klemtoon op de i) in één keer verzwolgen werd door de zee in een hevige storm. De chroniqueurs uit de 13de en 14de eeuw wisten er ook bij te vertellen dat dat was gekomen door de verregaande heidense zondigheid van de stad, die immers door niet-christelijke slavische stammen werd bewoond.

Nu is het zeker dat er in de tijd vóór 1200 verschillende havens aan de zuidelijke Oostzeekust hebben gelegen die een spilfunctie vervulden in het toenmalige maritieme handelsnetwerk tussen Franken, Saksen, Vikingen en Slaven. De kroniekschrijver Adam van Bremen (± 1070) noemt één van deze steden Vimne of Jumne, of Julinum, daar bestaat onduidelijkheid over in het handschrift. De Joods-Arabische schrijver Ibrahim ibn Yacub, gezant van de kalief van Córdoba die in het midden van de 10de eeuw een reis maakte door het Duitse Rijk, bericht van een dergelijke grote haven die bij hem als Weltaba bekend staat. Latere chroniqueurs, zoals Helmold van Bosau en zijn 13de-eeuwse navolgers, gooiden alle verhalen op één hoop en maakten er Vineta van, de verloren stad van de slavische Wenden (Veneti) aan de Oostzee, het Baltische Atlantis.

Maar heeft Vineta nu echt bestaan of niet? Men is het er over eens dat de havenstad wel degelijk historisch is, maar dat zijn teloorgang in de golven tot de legenden behoort. Dat verhaal maakt in feite deel uit van de legitimering van de onderwerping van de Slaven door Duitsers tijdens de zogeheten Ostsiedlung gedurende de 12de en 13de eeuw. Overwinnaars schrijven immers de geschiedenis, zoals altijd. De noodlottige ondergang van een hoofdstad past daar mooi bij, maar hoeft niet per se waar te zijn. Er zijn verschillende goede kandidaat-steden aan te wijzen die een historische band met het legendarische Vineta kunnen hebben. De beste papieren heeft vooralsnog Wolin, in de streek West-Pommeren, op de grens van het huidige Polen en Duitsland. Niet alleen werd Wolin in de late Middeleeuwen ook wel Julin genoemd, opgravingen hebben uitgebreide bebouwing aangetoond uit de 9de t/m 11de eeuw.

26 Wollin-1757

De (nu Poolse) stad Wolin op een Zweedse kaart uit 1757.

Mooi om te zien hoe een naam en een plek kunnen rondreizen, van Jumne/Julin, naar Vineta, naar Wolin, naar Hoek van Holland. Overigens vernoemden de Duitsers hun Hoekse vesting niet direct naar de legendarische stad, maar naar een marineschip dat ook al de naam Vineta droeg. De Duitse traditie om schepen Vineta te noemen bestaat namelijk al sinds het midden van de 19de eeuw en duurt voort tot de dag van vandaag. Kijk dus niet raar op als je in de buurt van Bitterfeld bent in Saksen-Anhalt. De verlaten voormalige bruinkoolmijnen heeft men vol water laten lopen en omgetoverd in een waterrijk recreatiegebied. Het water verzwolg de oude mijnen en nu vaart daar ook een Ms Vineta rond, waarop je zelfs kunt trouwen. Eine richtige Traumhochzeit!

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

De Hanzedagzaal, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

De Hanzedagzaal in het Museum, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

Tijdens een tripje dat ik vorige maand maakte langs een aantal Duitse Hanzesteden – waarover later wellicht nog eens meer – kwam ik natuurlijk ook in Lübeck. Op 27 mei 2015 is daar het gloednieuwe Europäisches Hansemuseum geopend. Daar moest ik uiteraard heen. Ik ben er drie uur gebleven en dit zijn mijn bevindingen.

Het museum bevindt zich op een schitterende locatie in een middeleeuws Dominicanenklooster, het Burgkloster, waar nieuwe gedeelten aan zijn toegevoegd die zich voor een belangrijk deel onder de grond bevinden. Je komt binnen en koopt een entreebewijs waar een elektronische tag in is verwerkt. Dan daal je af met een lift en betreed je een donkere ruimte waar een kronkelend gangpad je nog wat verder omlaag brengt. Zware geluiden dreunen rond en hier en daar wordt een voorwerp aangelicht in het halfduister. Twee flinke, oud uitziende zeilschepen, zwakjes verlicht, hun zeilen langzaam bewegend in een luchtstroom, trekken de aandacht. De boodschap is meteen duidelijk: je bent hier niet in zomaar een Hanzemuseum, waar braaf aan de hand van objecten een historisch verhaal wordt verteld. Je bent binnengekomen in wat niets minder dan een echte Hanze-Experience belooft te worden!

Die eerste donkere zaal verbeeldt Nowgorod, de handel op Rusland en de erfenis van de Vikingen en Gotlanders. Hoe die in de 11de en 12de eeuw de kusten van de Oostzee verkenden en er handel begonnen te drijven. Het oerbegin van de Hanze. De wanden van de ruimte worden in beslag genomen door lichtgevende infopanelen. Je activeert die met je entreebewijs en alles wordt in het Duits, Engels, Zweeds of Russisch aan je voorgeschoteld. Die panelen en schermen bevatten veel informatie in de vorm van tekst, beeld, filmpjes en graphics. Zoveel zelfs dat een belangrijk deel van de bezoekers geruime tijd in die eerste zaal blijft hangen om alles goed te kunnen lezen en bekijken.
Het Museum is ingericht als een afwisselende opeenvolging van donkere en helder verlichte ruimten, ik telde er veertien, waar het verhaal van de Hanze wordt verteld aan de hand van de vier ‘Kontore’ van de Hanze en vier tijdmarkeringen: Nowgorod 1150, Lübeck 1226, Brugge 1361 en Londen 1500. Helemaal tot slot volgen dan nog Bergen in de 17de eeuw en het einde van de Hanze. De ruimtes kennen een vaste volgorde, je kunt wel teruglopen, maar dan loop je tegen de bezoekersstroom in.

Men heeft een balans proberen te vinden tussen zalen die vooral op evocatie en beleving zijn gericht (de donkere, met licht- en geluidseffecten) en de lichte zalen die zich meer concentreren op uitleg aan de hand van objecten in vitrines. Die belevingszalen gaan bijvoorbeeld over handel en tonen dan een overvloed van stoffen en andere handelswaar; over de bouw van middeleeuwse steden zoals Lübeck; over de Pest van 1348 (opgezette-ratten-alert!) of over hoe een Hanzedag nu precies plaatsvond. De vitrine-zalen bevatten onder meer keizerlijke oorkonden met privileges, een paar scheepsmodellen en het kasboek van een Hanze-handelaar. Let wel, originele objecten en oorkonden zijn er nauwelijks in het Museum, het gaat in de meeste gevallen om replica’s en modellen. Daarom is de term Museum ietwat misleidend, beleving van het verhaal met moderne middelen staat voorop en niet het tonen van voorwerpen uit een collectie. Wie originelen wil zien zal zich elders moeten vervoegen, maar het Hansemuseum is werkelijk de Hanze Experience.

Overigens is er met de wijze van informatievoorziening in het museum niets mis. Maar het is wel erg veel. Zelden ben ik in een museum geweest waar men zich zo intensief bekommert om volledige informatie-overdracht. Geen slappe verhaaltjes, of versimpelingen, wie het Europäisches Hansemuseum bezoekt wordt gründlich doordrenkt met informatie. Dat betekent dat je na de tiende zaal wel wat van je aandachtsscherpte gaat verliezen. Gelukkig is er dan die ruimte waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld. De agenda wordt groot geprojecteerd, met aandacht voor alle wezenlijke discussies, maar ook voor de procedurele flauwiteiten tussen de steden onderling. Dan volgt nog een zaal die gewijd is aan religie en je jezelf plots in de schemer terugvindt tussen wassen beelden van priesters en monniken die er griezelig realistisch bijstaan. Maar daar blijft het dan wel bij qua humor. Het Museum is dan wel een Experience, maar kent een serieuze instelling waar weinig plaats is voor luchtig vermaak.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Als je de eerste veertien zalen bent gepasseerd heb je deel 1 van het Museum gehad. Daarna is er nog deel 2. Dit deel bevindt zich in een ander stuk van het Burgkloster, waarvoor je weer naar buiten moet. Niet zo handig, maar het kon blijkbaar niet anders. Eerst kom je in een ruimte die de Finale heet en mij enigszins verbijsterde door zijn stijlbreuk met al het voorgaande. Popmuziek, ‘Changes‘ van David Bowie, schalt er keihard door de ruimte, waar vier enorme poppen staan opgesteld die vier Hanzekooplieden voorstellen. ‘Changes’, vanwege de veranderde verhoudingen in Europa na 1600, de Atlantische handel, de handel op Azië.
‘Ch-ch-ch-changes’, het einde van de Hanze. Toen ik de dienstdoende mevrouw vroeg naar het hoe en waarom, gaf ze enigszins besmuikt te kennen dat zij het ook niet helemaal begreep en dat er nog wat nadere uitleg nodig zal zijn. ‘Het is ook allemaal wat nieuw, ziet u, het is nog niet af’.

Het laatste onderdeel van het Hansemuseum heet het Hanselab. Hier bevindt zich het Hanze-onderzoeks- en documentatiecentrum in oprichting, met een conferentiezaal en kleine exposities over bepaalde aspecten van de Hanze. Ook is daar aandacht voor archeologie en voor het Nachleben, zoals het gebruik van de Hanze als merk, voor kapsalons tot rederijen, tot voetbalclubs tot sigaretten. Dit Hanselab is naar mijn idee een interessant onderdeel en hopelijk gaat het een belangrijke rol spelen in het bijeen brengen van wetenschappelijk onderzoek en publieke belangstelling.

Het was een enerverend bezoek waarmee ik vele uren zoet was. Maar vond ik het nou een goed museum? Ondanks het bombardement aan informatie miste ik nogal wat. De hele vijftiende eeuw kwam niet aan bod, en de verhouding met de Hollandse steden bleef ook zwaar onderbelicht, wat voor iemand die zich uitgerekend met de verhouding tussen de Hanze en Holland in de vijftiende eeuw bezighoudt nogal teleurstellend is. Schepen en scheepsarcheologie spelen jammer genoeg ook geen grote rol. Het gebruik van een tag om infopanelen en dergelijke te activeren wekt bij mij wel eens wat tegenzin op, maar dat is een persoonlijke voorkeur en, toegegeven, het werkte wel goed. De Finale is echt een stijlbreuk en oogt bovendien nogal potsierlijk. Maar het restaurant is uitstekend, met een mooi terras en uitzicht over de stad en de haven. Ten slotte is het Europäisches Hansemuseum in Lübeck het enige museum ter wereld waar het complete verhaal van de Hanze met moderne middelen aan een breed publiek wordt verteld. En dat doet de balans uiteindelijk wel positief uitslaan. Ga er dus vooral heen als je in Lübeck bent, sowieso een prachtige stad, ook voor wie niet speciaal in de Hanze is geïnteresseerd.

Europäisches Hansemuseum Lübeck

www.hansemuseum.eu

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.