Feeds:
Berichten
Reacties
Aanbieding aan Flip KBB 9242f1r

Hertog Filips de Goede (in het zwart, met kaproen op het hoofd) krijgt het eerste exemplaar aangeboden van de Kroniek van Henegouwen, door de auteur/vertaler Jean Wauquelin. De mannen aan weerszijden zijn hoge hovelingen, niet de personen in dit verhaal. De man in de blauwe houppelande links van de hertog is zijn kanselier, Nicolas Rolin. Miniatuur door (waarschijnlijk) Rogier van der Weyden, plm. 1446.

Amsterdam, 20 september 1426

In de jaren ’20 van de 15de eeuw gingen de zaken goed in Amsterdam. Voortreffelijk zelfs. De handel bloeide als nooit tevoren. Rond de eeuwwisseling was er een periode geweest dat het bepaald slecht was gegaan. De zeeroverijen van de Likedeelers en de maritieme politiek van de toenmalige landsheer hertog Albrecht hadden de handelsrelaties met de Oostzeesteden zwaar beschadigd. Maar dat was al weer twintig jaar geleden. De Amsterdamse kooplieden waren sindsdien steeds verder de Oostzee opgevaren, van de zuidkust van Zweden (Schonen) tot aan Danzig en nog verder langs de Pruisische en Lijflandse kust tot aan Koningsbergen en Riga aan toe. In deze havens kochten ze vooral graan in (en ook hout); de handel in haring vanaf Schonen was de laatste jaren wat teruggelopen, maar de graanhandel ging goed, zeker nu de vraag toenam en daarmee de prijzen stegen.

Amsterdam was booming ! Dat kleine stadje van amper 3000 inwoners aan een modderige zijarm van de Zuiderzee, voorzag bijna heel het graafschap Holland van graan dat met scheepsladingen tegelijk werd binnengebracht en in de pakhuizen opgeslagen. Overigens was graan zeker niet het enige product waar de Amsterdamse kooplieden in handelden, maar voor hun handel met de Oostzeesteden was het wel het belangrijkste. Doordat Amsterdam feitelijk de Hollandse graanmarkt beheerste kon het dus ook de prijs bepalen, een niet te onderschatten factor.

Intussen was Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, van Artois enzovoort bezig om zich meester te maken van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij was verwikkeld in een verwoede strijd met zijn nicht, gravin Jacoba van Beieren, om de erfopvolging. Deze strijd zou in Filips’ voordeel worden beslecht in 1428, bij de ‘Zoen van Delft’, maar in de zomer van 1426 woedde de strijd nog volop. Hertog Filips had geld nodig om zijn oorlog met Jacoba te kunnen voeren.

“Zou het niet een goed idee zijn”, zo moet de hertog van Bourgondië hebben gedacht, “om met die stijgende graanprijzen overal in het graafschap Holland, zelf óók eens in die handel te stappen en een flinke klapper te maken?” Goedkoop inkopen en met een flinke winst weer verkopen, waardoor de militaire campagne bekostigd kon worden. Op die manier zouden de inwoners van Holland zelf indirect meebetalen aan hun eigen verovering. De droom van iedere heerser.

We weten niet wat zich werkelijk afspeelde in het brein van de hertog, maar we weten wel dat hij op 20 september 1426 twee gezanten naar Amsterdam stuurde om voor hem graan in te kopen met de bedoeling dat met winst weer te verkopen. ‘Also miin genadige heer noitlic gelts te doen hadde’, zo staat het in de grafelijkheidsrekening over dat jaar te lezen. Filips had geld nodig.

Onder de kop ‘Van eene fynancie tot Aemsterdam gedaen’ doet de grafelijke tresorier Boudijn van Zwieten via een klerk verslag van hetgeen zich in de weken daarna moet hebben afgespeeld. En tussen de regels door kun je de tanden van de tresorier horen knarsen over de onkunde die hem onder ogen kwam, waar hij, als financieel verantwoordelijke, verantwoording over had af te leggen terwijl hij tegelijk zijn heer niet kon desavoueren. Maar zijn ergernis is aanwijsbaar.

Het waren niet de minsten die in opdracht van hertog Filips op 20 september 1426 op handelsmissie naar Amsterdam werden gestuurd. Heer Roelant van Uutkerke († 1442) was een Vlaamse edelman die al vele jaren in dienst was van de hertogen van Bourgondië. Hij was zijn carrière begonnen in 1408 onder hertog Jan Zonder Vrees en gestaag opgeklommen in de Bourgondische ambtelijke hiërarchie. In 1426 benoemde hertog Filips hem tot gouverneur van Holland. Hij werd daarmee de eerstverantwoordelijke in de strijd tegen gravin Jacoba. De andere gezant wordt in de bron de ‘Prince van Orangien’ genoemd. Deze Lodewijk II van Chalon-Arlay (1388-1463) was niet alleen een voorouder van René van Chalon, de 16de-eeuwse erflater van het prinsdom Orange aan onze eigen prins Willem van Oranje maar gold in 1426 als de voornaamste legeraanvoerder van Filips de Goede in Holland.

Twee hoge edelen in dienst van de hertog van Bourgondië, de gouverneur van Holland zelf en de legeraanvoerder, togen naar Amsterdam om zaken te doen. In gedachten zien we hen rijden, hoog te paard, langs de modderige kaden ‘Op ’t Water’ (het Damrak), of door de nauwe Warmoesstraat, langs de houten graanpakhuizen. Kijk ze eens schitterend gekleed zijn in hun zwartfluwelen, misschien wel goudbestikte, houppelandes; hun zwierige kaproenen kunstig om het hoofd geknoopt. Natuurlijk kwamen ze niet alleen, een gewapend escorte van in Bourgondische kleuren gestoken soldaten zal hen hebben vergezeld. Misschien wel met trompettende herauten voorop en joelende Amsterdamse kinderen rondom. Het moet een opmerkelijk en indrukwekkend gezelschap zijn geweest en de Amsterdammers zagen deze wannabe-graanhandelaren graag komen.

En ze gingen er in met boter en suiker, op zijn Amsterdams gezegd, mocht die uitdrukking in 1426 al hebben bestaan.

Het Bourgondische gezelschap wist in Amsterdam de hand te leggen op een grote partij koren, waarmee zowel rogge als tarwe werd bedoeld. De zaken werden direct met de stadsbestuurders zelf afgehandeld en voor de geleverde partij ontving de stad de somma van 2100 cronen. De opbrengst bedroeg uiteindelijk slechts 906 schild en 8 1/2 cromstaert. Deze verschillende muntsoorten laten zich wat lastig tegen elkaar omrekenen, maar het is duidelijk dat de grafelijke tresorier geschokt was door dit hoge verlies.De tresorier omschrijft vervolgens hoe de hoge heren hebben gehandeld.

In Leiden werd eerst 63 last rogge verkocht. Een last graan is een inhoudsmaat en letterlijk op te vatten als een lading die in één wagen past en komt traditioneel overeen met een inhoud van ongeveer 2800 liter, verdeeld in 27 mud. De inkoopsprijs van deze rogge had 27 Beierse gulden per last bedragen, maar in de verkoop had het een stuk minder opgebracht. De tresorier voegt er fijntjes aan toe dat hijzelf ten tijde van de transactie in Haarlem had verbleven en er niet op toe had kunnen zien. Daar kwam nog bij dat men verzuimd had om de transportkosten van dit graan van Amsterdam naar Leiden in rekening te brengen, waardoor het verlies nóg wat hoger uitviel.

In Haarlem verkoopt men 7 last rogge, ook weer van 27 gulden per last inkoop, voor een bedrag van slechts 26 1/2 gulden per last. Nettoverlies: 3 1/2 gulden.
Ook in Haarlem verkocht: 3 last tarwe, ingekocht voor 32 gulden per last en verkocht voor in totaal 72 gulden en 3 1/2 cromstaert. Nettoverlies: zeker 10 gulden.

En er werd nog een partij tarwe van 21 last en 5 mud in Haarlem verkocht van 32 gulden per last inkoop, waarvoor men slechts 25 1/3 gulden per last terug wist te verdienen. Dat kwam neer op ruim 6 gulden per last verlies, maal 21 = 126 gulden verlies!

En de tresorier vervolgt zijn litanie. Voor een partij van 12 last rogge (inkoop 27 gulden per last), ontving men slechts 26 gulden per last, maakt 12 gulden verlies. En toen was de voorraad graan op en moest men terug naar Amsterdam om een nieuwe partij rogge te halen. Wellicht wijs geworden slaagde men er in om deze partij in te kopen voor ‘slechts’ 26 gulden per last. Maar tot zijn afgrijzen moet de tresorier concluderen dat de opbrengst van deze nieuwe partij slechts 22 gulden per last bedroeg. Weer veel geld verloren! En dan kwam er ook nog eens wiincoop (stedelijke accijns) aan Amsterdam bij, plus de vrachtkosten ad 25 gulden en 8 1/2 cromstaert.

De graanhandel is een lastig vak, maar wel een echt vak, zo kunnen we concluderen. Kennis van de markt en scherpe onderhandeling over de prijs in relatie tot de hoeveelheid te kopen of verkopen waren, kan het verschil maken tussen stevige winst of een regelrecht fiasco. Wie 20 last graan in één keer wil kopen of verkopen krijgt nu eenmaal een andere prijs dan wie slechts kleine beetjes tegelijk aanbiedt of koopt. En die prijs werd bepaald in Amsterdam, door Amsterdam.

Ten slotte maakt de tresorier zijn verlies op, waarbij het ons wellicht wat gaat duizelen vanwege de optellingen en omrekeningen tussen guldens, schilden, cronen en cromstaerten, maar, en nu parafraseren we de tresorier en zijn klerk:

‘Aldus heeft de stad Amsterdam aan koren geleverd, zowel aan inkoop van het graan plus de onkosten, 3.360 gulden, maakt samen 2100 cronen. Zoals in het hier voorgaande is berekend heeft de grafelijke tresorie daar niet meer van terug ontvangen na verkoop dan het bedrag van 906 schild en 8 1/2 cromstaert, maakt samen 1892 pond en 2 schellingen. Het netto verlies van deze ‘fynancie tot Aemsterdam’ bedroeg uiteindelijk 627 schild en 18 cromstaert.’ Er is dus ruim 1533 schild geïnvesteerd, met een return on investment van ruim 906 schild. Een verlies van pakweg 40%. Tel uit je winst!

Overheid en ondernemerschap, het is zelden een succesvolle combinatie. Het is voor het eerst en het laatst dat we in de Hollands-Bourgondische grafelijkheidsrekeningen vergelijkbare financiële transacties aantreffen. Toen hij eenmaal officieel graaf van Holland was geworden kon de hertog van Bourgondië zich dan ook beperken tot zijn traditionele financiële bronnen, zoals inkomsten uit tollen, verpachting van grafelijke rechten en belastingen in de vorm van beden. En aan die grafelijke beden zou Amsterdam, in 1426 nog de vijfde stad van Holland, maar al hard bezig om alle andere voorbij te streven, nog heel veel gaan bijdragen.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer, rekening over 1427 van Boudijn van Zwieten, n° 127, F°48.

26 Vinetaduin

Het Vinetaduin in Hoek van Holland: bunkers, zendmasten en veel fraaie duinen

Voor mijn werk kom ik vaak in Hoek van Holland. In het duingebied vlak aan zee, grenzend aan de Nieuwe Waterweg bouwden de Duitsers vanaf 1943 een reeks bunkers in het kader van de Atlantikwall. Zij maakten daarbij gebruik van enkele kustbatterijen die al in de jaren ’30 door het Nederlandse leger waren aangelegd en bekend stonden als Batterij V. De Duitsers bouwden het gebied in het Hoekse duin uit tot een van de machtigste steunpunten van de Festung Hoek van Holland en noemden die Vineta. Het duingebied staat tot de dag van vandaag bekend als het Vineta-duin. Met de klemtoon op de e.

Het is een mooie naam, Vineta, en gaat werkelijk ver terug als naam voor een legendarische stad die tussen 800 en 1180 ergens aan de Oostzee moet hebben gelegen. In de sagen en legenden staat hij bekend als een emporium, een rijke handelshaven waar de hele toenmalige wereld zaken kwam doen. Het verhaal gaat dat ergens aan het einde van de 12de eeuw de stad Víneta (met de klemtoon op de i) in één keer verzwolgen werd door de zee in een hevige storm. De chroniqueurs uit de 13de en 14de eeuw wisten er ook bij te vertellen dat dat was gekomen door de verregaande heidense zondigheid van de stad, die immers door niet-christelijke slavische stammen werd bewoond.

Nu is het zeker dat er in de tijd vóór 1200 verschillende havens aan de zuidelijke Oostzeekust hebben gelegen die een spilfunctie vervulden in het toenmalige maritieme handelsnetwerk tussen Franken, Saksen, Vikingen en Slaven. De kroniekschrijver Adam van Bremen (± 1070) noemt één van deze steden Vimne of Jumne, of Julinum, daar bestaat onduidelijkheid over in het handschrift. De Joods-Arabische schrijver Ibrahim ibn Yacub, gezant van de kalief van Córdoba die in het midden van de 10de eeuw een reis maakte door het Duitse Rijk, bericht van een dergelijke grote haven die bij hem als Weltaba bekend staat. Latere chroniqueurs, zoals Helmold van Bosau en zijn 13de-eeuwse navolgers, gooiden alle verhalen op één hoop en maakten er Vineta van, de verloren stad van de slavische Wenden (Veneti) aan de Oostzee, het Baltische Atlantis.

Maar heeft Vineta nu echt bestaan of niet? Men is het er over eens dat de havenstad wel degelijk historisch is, maar dat zijn teloorgang in de golven tot de legenden behoort. Dat verhaal maakt in feite deel uit van de legitimering van de onderwerping van de Slaven door Duitsers tijdens de zogeheten Ostsiedlung gedurende de 12de en 13de eeuw. Overwinnaars schrijven immers de geschiedenis, zoals altijd. De noodlottige ondergang van een hoofdstad past daar mooi bij, maar hoeft niet per se waar te zijn. Er zijn verschillende goede kandidaat-steden aan te wijzen die een historische band met het legendarische Vineta kunnen hebben. De beste papieren heeft vooralsnog Wolin, in de streek West-Pommeren, op de grens van het huidige Polen en Duitsland. Niet alleen werd Wolin in de late Middeleeuwen ook wel Julin genoemd, opgravingen hebben uitgebreide bebouwing aangetoond uit de 9de t/m 11de eeuw.

26 Wollin-1757

De (nu Poolse) stad Wolin op een Zweedse kaart uit 1757.

Mooi om te zien hoe een naam en een plek kunnen rondreizen, van Jumne/Julin, naar Vineta, naar Wolin, naar Hoek van Holland. Overigens vernoemden de Duitsers hun Hoekse vesting niet direct naar de legendarische stad, maar naar een marineschip dat ook al de naam Vineta droeg. De Duitse traditie om schepen Vineta te noemen bestaat namelijk al sinds het midden van de 19de eeuw en duurt voort tot de dag van vandaag. Kijk dus niet raar op als je in de buurt van Bitterfeld bent in Saksen-Anhalt. De verlaten voormalige bruinkoolmijnen heeft men vol water laten lopen en omgetoverd in een waterrijk recreatiegebied. Het water verzwolg de oude mijnen en nu vaart daar ook een Ms Vineta rond, waarop je zelfs kunt trouwen. Eine richtige Traumhochzeit!

 

Royal 2 B VII   f. 143v   Grotesques

Maritieme oorlogvoering met vissen. Miniatuur uit het Queen Mary Psalter, plm. 1320. (Ms British Library, 2 B VII)

Afgelopen week verklaarde premier Mark Rutte dat wij in oorlog zijn met IS, of ISIS/ISIL of hoe u ze maar wil noemen. De oorlog was dus al aan de gang, vóór dat de oorlogsverklaring er was. De tijden dat er eerst een oorlogsverklaring werd uitgevaardigd en dat de oorlog daarna pas officieel van kracht werd, ach, dat waren nog eens tijden. Een goede aanleiding om hier een veel oudere oorlogsverklaring over het voetlicht te brengen, eentje uit de vijftiende eeuw.

Op 14 april 1438 werd een officiële oorlogsverklaring uitgevaardigd, per oorkonde, door de Raad van Holland en Zeeland, namens de landsheer hertog Filips van Bourgondië in zijn hoedanigheid van graaf van Holland en Zeeland. De oorlogsverklaring was gericht tegen de hertog van Holstein en de steden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, de zogeheten Wendische steden. De reden voor deze oorlogsverklaring was, even kort door de bocht gezegd, gelegen in de schade die Hollandse schippers en kooplieden begin jaren ’30 van de 15de eeuw hadden ondervonden van de kant van de Wendische steden, waar men keer op keer genoegdoening voor had geëist maar die telkens niet was verkregen. Er was ettelijke keren over vergaderd, waarbij Vlaamse steden en kooplieden hadden bemiddeld, maar een oplossing was nog niet in zicht.

Omdat ze niet langer konden wachten hadden enkele Hollandse en Zeeuwse steden verzocht aan de Raad van Holland (een soort dagelijks bestuur van het graafschap, om met een anachronisme te spreken) om hun schade dan maar zélf te mogen verhalen op schepen uit de Wendische steden. Die toestemming werd hun in april 1438 verleend en daarmee was de oorlog een feit geworden. Bovendien werd er een handelsboycot ingesteld naar ‘Oostland’, de gebieden aan de Oostzee. Om er nu voor te zorgen dat iedereen in elk geval op de hoogte zou zijn en dat geen onschuldigen per ongeluk getroffen zouden worden door de staat van oorlog met de Wendische steden, vaardigde de Raad van Holland en Zeeland in naam van de hertog van Bourgondië een speciale Waarschuwingsbrief uit. Deze Wairnbrieff kunnen we beschouwen als een op schrift gestelde officiële oorlogsverklaring. Of het de oudste is in Holland zou ik niet durven zeggen, ik denk het eigenlijk niet, maar het is wel een hele oude.

Laten we een stukje lezen en citeren. Eerst de oorspronkelijke inleiding in het Middelnederlands en daarna een wat langere passage die ik in modern Nederlands heb omgezet.

“Allen den ghenen die desen brief zullen sien of horen lesen, die rade miins genadichs heeren shertogen van Bourgonien ende van Brabant, gecommitteirt van siinre wegen ten saken siinre lande van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant, ombieden wii onse vrundlike groete.

Ende begeeren te weten, dat over langer dan drie jair geleden die ondersaten van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant grote verderflike schade geleden hebben an live ende an goede van den hertoge van Holsten ende sinen ondersaten ende van den zes Wenschen steden alse Lubeke Hamborch Lunenborch Rostock Wissemair ende Strailsonde, sonder redenen ende boven rechte, wairwt grote twidrachten ende geschillen gesproten souden hebben en hadden gedaen, die vier lede slands van Vlaenderen, dair die Oisterlinge grote hantieringe van comanscip mede hantieren, diewelke vervolchden zo vele an onsen genadigen heere voirnomet, om die hantieringe van comanscip te vreden, dat sine genaden consentierden ende beliefde tot hoeren versoucke, dat sii dachvairden ramen souden tusschen sinen landen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant ende den voirnomeden hertoge van Holsten ende den zes Wenschen steden voorschreven.”

[…]

“Omdat de inwoners van Holland, Zeeland en Friesland niet in staat zijn om de schade die zij hebben ondervonden van de hertog van Holstein en de zes steden naast zich neer te leggen en zij hun vertrouwen stellen op God en het Recht, zo hebben de ridderschap en steden van Holland, Zeeland en Friesland ons verzocht, dat wij in naam van onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, hen toestaan om hun schade te verhalen op hen die deze schade hebben veroorzaakt. Wij mogen hen dit niet weigeren en daarom hebben wij hen toestemming verleend namens onze genadige heer van Bourgondië, de graaf van Holland, om de onderdanen van de hertog van Holstein en van de zes steden, schade toe te brengen, gevangen te nemen en te kwetsen aan lijf en goed, waar ze hen maar tegen komen.

Ook is door de Raad besloten dat men niet zal tolereren dat iemand nog vanaf nu naar Pruisen of de zes steden over zee zal varen met handelswaar, wat de zes steden of de andere Oosterlingen zou kunnen versterken. Ook zal niemand uit het Oostland van daar naar hier of voorbij onze landen enige handelswaar mogen vervoeren totdat de hertog van Holstein en de zes steden op behoorlijke wijze voor het recht zullen buigen.

De onderdanen van dit land zullen er daarom met Gods hulp tijdelijk op uittrekken om hun schade te verhalen en alle handelsvaart oost- en westwaarts met al hun vermogen te beletten. En opdat niemand die onschuldig is beschadigd zal worden, wat ons werkelijk tot leed zou zijn, daarom waarschuwen wij iedereen door middel van deze Wairnbrieff, en vooral diegenen die op zee plegen te varen, dat zij nalaten wat hierboven is beschreven. En mocht het gebeuren dat iemand door onze kapers daardoor schade lijdt en zijn goederen in beslag worden genomen, wat God verhoede, zullen wij noch iemand in deze landen daar gerechterlijk voor aansprakelijk zijn. Want wij en de inwoners van dit land hebben met deze waarschuwing ons daarvan ontlast.

Tot kennis der waarheid opgemaakt op 14 april van het jaar ons heren 1438 met de zegels van heer Willem broeder van Egmond en de heer van IJsselstein, medeondertekend door de heren ridders Floris van den Abeele en Gerard van Zijl, en door Boudewijn van Zwieten en Godscalc Oom, raadslieden van de hertog van Bourgondië.”

Met deze verklaring begon de oorlog met de Wendische steden. Hij zou drie jaar duren, tot 1441, en aanleiding zijn tot een een heleboel narigheid, verwarring, verstoorde verhoudingen en schade aan beide zijden, zonder dat een werkelijke oplossing van het eerdere conflict was bereikt.
Ook déze oorlog zou niets oplossen.

Bron: Archief Hof van Holland, Memorialen Jan Rosa, deel IV, F° 203 vv.
Uitgegeven: Lombarts, R.W.G. e.a., Memorialen Rosa, delen IV, V, VI, Leiden, 1982.

De Hanzedagzaal, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

De Hanzedagzaal in het Museum, waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld (Foto Hansemuseum, Lübeck)

Tijdens een tripje dat ik vorige maand maakte langs een aantal Duitse Hanzesteden – waarover later wellicht nog eens meer – kwam ik natuurlijk ook in Lübeck. Op 27 mei 2015 is daar het gloednieuwe Europäisches Hansemuseum geopend. Daar moest ik uiteraard heen. Ik ben er drie uur gebleven en dit zijn mijn bevindingen.

Het museum bevindt zich op een schitterende locatie in een middeleeuws Dominicanenklooster, het Burgkloster, waar nieuwe gedeelten aan zijn toegevoegd die zich voor een belangrijk deel onder de grond bevinden. Je komt binnen en koopt een entreebewijs waar een elektronische tag in is verwerkt. Dan daal je af met een lift en betreed je een donkere ruimte waar een kronkelend gangpad je nog wat verder omlaag brengt. Zware geluiden dreunen rond en hier en daar wordt een voorwerp aangelicht in het halfduister. Twee flinke, oud uitziende zeilschepen, zwakjes verlicht, hun zeilen langzaam bewegend in een luchtstroom, trekken de aandacht. De boodschap is meteen duidelijk: je bent hier niet in zomaar een Hanzemuseum, waar braaf aan de hand van objecten een historisch verhaal wordt verteld. Je bent binnengekomen in wat niets minder dan een echte Hanze-Experience belooft te worden!

Die eerste donkere zaal verbeeldt Nowgorod, de handel op Rusland en de erfenis van de Vikingen en Gotlanders. Hoe die in de 11de en 12de eeuw de kusten van de Oostzee verkenden en er handel begonnen te drijven. Het oerbegin van de Hanze. De wanden van de ruimte worden in beslag genomen door lichtgevende infopanelen. Je activeert die met je entreebewijs en alles wordt in het Duits, Engels, Zweeds of Russisch aan je voorgeschoteld. Die panelen en schermen bevatten veel informatie in de vorm van tekst, beeld, filmpjes en graphics. Zoveel zelfs dat een belangrijk deel van de bezoekers geruime tijd in die eerste zaal blijft hangen om alles goed te kunnen lezen en bekijken.
Het Museum is ingericht als een afwisselende opeenvolging van donkere en helder verlichte ruimten, ik telde er veertien, waar het verhaal van de Hanze wordt verteld aan de hand van de vier ‘Kontore’ van de Hanze en vier tijdmarkeringen: Nowgorod 1150, Lübeck 1226, Brugge 1361 en Londen 1500. Helemaal tot slot volgen dan nog Bergen in de 17de eeuw en het einde van de Hanze. De ruimtes kennen een vaste volgorde, je kunt wel teruglopen, maar dan loop je tegen de bezoekersstroom in.

Men heeft een balans proberen te vinden tussen zalen die vooral op evocatie en beleving zijn gericht (de donkere, met licht- en geluidseffecten) en de lichte zalen die zich meer concentreren op uitleg aan de hand van objecten in vitrines. Die belevingszalen gaan bijvoorbeeld over handel en tonen dan een overvloed van stoffen en andere handelswaar; over de bouw van middeleeuwse steden zoals Lübeck; over de Pest van 1348 (opgezette-ratten-alert!) of over hoe een Hanzedag nu precies plaatsvond. De vitrine-zalen bevatten onder meer keizerlijke oorkonden met privileges, een paar scheepsmodellen en het kasboek van een Hanze-handelaar. Let wel, originele objecten en oorkonden zijn er nauwelijks in het Museum, het gaat in de meeste gevallen om replica’s en modellen. Daarom is de term Museum ietwat misleidend, beleving van het verhaal met moderne middelen staat voorop en niet het tonen van voorwerpen uit een collectie. Wie originelen wil zien zal zich elders moeten vervoegen, maar het Hansemuseum is werkelijk de Hanze Experience.

Overigens is er met de wijze van informatievoorziening in het museum niets mis. Maar het is wel erg veel. Zelden ben ik in een museum geweest waar men zich zo intensief bekommert om volledige informatie-overdracht. Geen slappe verhaaltjes, of versimpelingen, wie het Europäisches Hansemuseum bezoekt wordt gründlich doordrenkt met informatie. Dat betekent dat je na de tiende zaal wel wat van je aandachtsscherpte gaat verliezen. Gelukkig is er dan die ruimte waar een Hanzedag anno 1518 wordt verbeeld. De agenda wordt groot geprojecteerd, met aandacht voor alle wezenlijke discussies, maar ook voor de procedurele flauwiteiten tussen de steden onderling. Dan volgt nog een zaal die gewijd is aan religie en je jezelf plots in de schemer terugvindt tussen wassen beelden van priesters en monniken die er griezelig realistisch bijstaan. Maar daar blijft het dan wel bij qua humor. Het Museum is dan wel een Experience, maar kent een serieuze instelling waar weinig plaats is voor luchtig vermaak.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Londen in 1500 is de laatste zaal van Deel 1. De macht en reikwijdte van de Hanze komen hier goed tot hun recht.

Als je de eerste veertien zalen bent gepasseerd heb je deel 1 van het Museum gehad. Daarna is er nog deel 2. Dit deel bevindt zich in een ander stuk van het Burgkloster, waarvoor je weer naar buiten moet. Niet zo handig, maar het kon blijkbaar niet anders. Eerst kom je in een ruimte die de Finale heet en mij enigszins verbijsterde door zijn stijlbreuk met al het voorgaande. Popmuziek, ‘Changes‘ van David Bowie, schalt er keihard door de ruimte, waar vier enorme poppen staan opgesteld die vier Hanzekooplieden voorstellen. ‘Changes’, vanwege de veranderde verhoudingen in Europa na 1600, de Atlantische handel, de handel op Azië.
‘Ch-ch-ch-changes’, het einde van de Hanze. Toen ik de dienstdoende mevrouw vroeg naar het hoe en waarom, gaf ze enigszins besmuikt te kennen dat zij het ook niet helemaal begreep en dat er nog wat nadere uitleg nodig zal zijn. ‘Het is ook allemaal wat nieuw, ziet u, het is nog niet af’.

Het laatste onderdeel van het Hansemuseum heet het Hanselab. Hier bevindt zich het Hanze-onderzoeks- en documentatiecentrum in oprichting, met een conferentiezaal en kleine exposities over bepaalde aspecten van de Hanze. Ook is daar aandacht voor archeologie en voor het Nachleben, zoals het gebruik van de Hanze als merk, voor kapsalons tot rederijen, tot voetbalclubs tot sigaretten. Dit Hanselab is naar mijn idee een interessant onderdeel en hopelijk gaat het een belangrijke rol spelen in het bijeen brengen van wetenschappelijk onderzoek en publieke belangstelling.

Het was een enerverend bezoek waarmee ik vele uren zoet was. Maar vond ik het nou een goed museum? Ondanks het bombardement aan informatie miste ik nogal wat. De hele vijftiende eeuw kwam niet aan bod, en de verhouding met de Hollandse steden bleef ook zwaar onderbelicht, wat voor iemand die zich uitgerekend met de verhouding tussen de Hanze en Holland in de vijftiende eeuw bezighoudt nogal teleurstellend is. Schepen en scheepsarcheologie spelen jammer genoeg ook geen grote rol. Het gebruik van een tag om infopanelen en dergelijke te activeren wekt bij mij wel eens wat tegenzin op, maar dat is een persoonlijke voorkeur en, toegegeven, het werkte wel goed. De Finale is echt een stijlbreuk en oogt bovendien nogal potsierlijk. Maar het restaurant is uitstekend, met een mooi terras en uitzicht over de stad en de haven. Ten slotte is het Europäisches Hansemuseum in Lübeck het enige museum ter wereld waar het complete verhaal van de Hanze met moderne middelen aan een breed publiek wordt verteld. En dat doet de balans uiteindelijk wel positief uitslaan. Ga er dus vooral heen als je in Lübeck bent, sowieso een prachtige stad, ook voor wie niet speciaal in de Hanze is geïnteresseerd.

Europäisches Hansemuseum Lübeck

www.hansemuseum.eu

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France , plm. 1350. BL Harley 4418, f° 80v.

Een amfibische operatie tijdens de 100-jarige Oorlog. Onder een gevecht tussen twee schepen, boven landen schepen op de kust. Chroniques de France. BL Harley 4418, f° 80v.

Op 25 oktober 1415 had het Engelse leger onder leiding van koning Hendrik V de Fransen een verpletterende nederlaag toegebracht. Deze Slag bij Agincourt geldt als een van de grootste Franse nederlagen van de Honderdjarige oorlog. De Franse ridders, hoog te paard, bleken uiteindelijk geen partij voor de Engelse en vooral Welshe boogschutters die met hun longbows dood en verderf zaaiden. Dit jaar wordt herdacht dat het precies 600 jaar geleden is dat de slag plaatsvond.

Na deze overwinning wilde koning Hendrik (1387-1422) doorpakken, hij had dan wel de slag gewonnen, maar nog niet de oorlog. Hij besloot over te gaan tot een grootschalige invasie, om zodoende Frankrijk, dat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, definitief te kunnen veroveren. Om dat te kunnen doen had hij schepen nodig, veel schepen. En in Engeland waren er niet genoeg. Net als hij dat voorafgaand aan de slag bij Agincourt in 1415 had gedaan, huurde King Henry nu ook weer buitenlandse schepen in. Hij bracht in 1417 een enorme vloot bijeen, waarvan maar liefst 116 Hollandse en Zeeuwse schepen deel van uitmaakten. Over de grootte van zijn vloot lopen de meningen uiteen, men schat dat Hendrik in 1415 tussen de 500 en 1500 schepen bijeenbracht, met 12.000 man aan boord. In 1417 ging het om een even grote legermacht.

Eind juli 1417 stak deze vloot over vanuit Southampton om te landen bij de monding van de rivier de Touques in Normandië, ter hoogte van het huidige Deauville. Daar werd op 1 augustus een bruggenhoofd ingericht. Binnen een paar maanden had het Engelse leger praktisch heel Normandië veroverd, inclusief de steden Caen en Harfleur. De weg naar Parijs lag nu open en Henry’s zoon, Hendrik VI, zou in 1431 inderdaad tot koning worden gekroond van Frankrijk en Engeland samen (al zou dat niet lang standhouden).

Om zijn nieuw veroverde bezit goed te besturen zette koning Hendrik V een apart administratief systeem op, de zogeheten Norman rolls. Een van de eerste zaken die in de Norman rolls werden opgetekend was de betaling aan de Hollandse en Zeeuwse schippers die hadden geholpen met de expeditie. Ook kregen zij een keurig getekende vrijgeleide mee van de dankbare koning die wie wij op onze beurt dankbaar moeten zijn voor deze prachtige bron.

Alle Hollandse schippers worden in het stuk genoemd, met hun plaats van herkomst, het soort schip en zelfs de naam van het schip. Door Engelse klerken opgeschreven, dus enigszins fonetisch weergegeven. Schippers uit Haarlem, Rotterdam, Gouda, Schiedam, Dordrecht, Vlissingen en andere steden. Magisters (‘masters’) worden de schippers genoemd en hun schepen balengierskoggeschepen en kraaiers. Dat waren niet zozeer speciale oorlogsschepen – voor zover die er al waren in het 15de-eeuwse Holland-, maar gewone handels- en vissersschepen, voor de gelegenheid ingericht als troepentransportschip. Enkele schepen heten navis, dit duidt doorgaans op een groot schip dat geen kogge is, zoals een kraak of hulk.

En al die schepen blijken dus prachtige namen te hebben, zoals de Christofoor, de Ooievaar, de Qwytekost, de Schenkwijn en de Heilige Geest. Het helpen overzetten van de soldaten en paarden van de Engelse koning was een mooie extra verdienste geweest voor de Hollandse en Zeeuwse schippers. Nu gingen ze weer over tot de orde van de dag en het vervoer van graan, wijn en zout. Hieronder een tamelijk willekeurig citaat uit het stuk, met gegevens over schippers uit Schiedam, Brouwershaven, Vlissingen, Middelburg, Dordrecht, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Arnemuiden en Zierikzee, telkens volgens de formule: naam van de schipper, magister van het schip (scheepstype) genaamd (vocat) X uit plaats Y.

Nichus Claysson magr craiere vocat Maryknyght de Skydame in Holand.

Henr Generson magr navis vocat Xpofre (= Christofoor) de Brewershaven in Seland.

Hugo Betson magr navis vocat Friday de Flysshyng in Seland.

Will Claysson magr balingere vocat Seintmarieship de Middelburgh.

Petrus Florynson magr coggeship vocat Mariship de Durdraght.

Petrus Meweson magr craiere vocat Oiover de Durdraght.

Dedryk Simondson magr coggeship vocat Xpofre de Herlam.

Cornelius Boudwinson magr coggeship vocat Seintjacobesknyght de Gowe.

Loy de Crane magr craiere vocat Goddeberade de Rotirdame.

Wills Johnson magr coggeship vocat Skenkewyne de Roterdame

Arnoldas Scoter magr coggeship vocat Godisknyght de Gowe.

Hugo Petirson magr cogges vocat Qwytecost de Gowe.

Baldewinus van Gent magr balingere vocat Holigost de Ermouth

Jacobus Petirson magr coggeship vocat Holigost de Syrice in Seland

Bron: National Archives, Public Record Office, Norman Rolls, 5 Henry Fifth, A° 1417, C64/8.

Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Willem Vos met twee nieuwe leerling-scheepstimmerlieden op de werf. Voorjaar 2000. (Foto auteur)

Tussen 1990 en 2007 werkte ik, afgezien van een korte tussenpoos, op de Bataviawerf in Lelystad, in verschillende rollen en functies. Vanaf mijn eerste stappen op de werf, in de zomer van 1990, tot aan zijn terugtreden in 2001, heb ik langdurig en nauw samengewerkt met scheepsbouwmeester Willem Vos. Willem Vos was de stichter van de Bataviawerf en de geestelijk vader van de reconstructie van het schip Batavia. In alle opzichten.
Ik kom daar over te spreken omdat er gewerkt wordt aan een biografie over Willem Vos. Die wordt geschreven door freelance journalist Wilfried Vonk en moet verschijnen in september 2015. Willem Vos is dan 75 jaar en het is tevens 30 jaar geleden dat hij met de bouw van de Batavia begon (kiel gelegd op 4 oktober 1985).

Afgelopen week bezocht Wilfried mij om mij te interviewen over mijn tijd op de werf en mijn herinneringen aan scheepsbouwmeester Vos. Nu wil ik hier zeker niet alles opschrijven wat ik aan Wilfried vertelde, dat staat straks wel te lezen in dat boek. Mijn herinneringen vormen maar één perspectief en Vos verdient juist een objectieve benadering waarin het fenomeen Willem Vos van alle kanten wordt belicht. Wilfried heeft gelukkig met een groot aantal mensen gesproken. Laat ik één tipje van de sluier oplichten: Willem was een gecompliceerde persoonlijkheid. Door sommigen bejubeld als een soort goeroe, of sekteleider zo men wil, door anderen verguisd en afgebrand. Maar voor alles een groot vakman, laat dat duidelijk zijn.
In zijn laatste jaren op de Bataviawerf is hij niet al te best behandeld door bestuur van zowel werf als gemeente Lelystad, maar anderzijds gedroeg hij zich soms zo wispelturig en ongrijpbaar dat hij bestuurders (en medewerkers!) tot wanhoop kon drijven. Een wispelturigheid die je ook als ‘authenticiteit’ kunt omschrijven. Willem deed namelijk zelden iets tegen zijn eigen zin.

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Willem overlegt met twee van zijn medewerkers. Zomer 1990. (Foto Cathérine Noury)

Als je zo’n lange tijd ergens heb gewerkt onthoud je natuurlijk niet alles wat er gebeurd is. Het geheugen is selectief. Ik had altijd gedacht een duidelijke en vastomlijnde herinnering te hebben gehad aan de werf. Maar dat bleek dus niet zo te zijn. Je eigen herinnering wordt gekleurd door meningen die je je later hebt gevormd over bepaalde periodes. Eerste indrukken vermengen zich met latere kennis; globale ideeën die je had blijken soms nergens op gebaseerd te zijn. Een interviewer die je naar je herinneringen vraagt doet dat soms op zó’n manier dat je werkelijk je hersens moet uitwringen om te reconstrueren hoe het nou ook al weer precies zat. Hij heeft immers meerdere bronnen gehoord en bezit misschien een objectiever beeld, maar ik was er toch bij geweest. Dus wat was nu de waarheid? Als historicus ben je nu zelf onderdeel van het gebeurde.

Ik ben na het interview extra nieuwsgierig geworden naar het boek over Willem. Ik heb hem sinds 2003 niet meer gezien of gesproken, maar weet nu al dat het boek me zal verrassen.

Nanne Ottema maakte kopieën van 15de-eeuwse scheepsafeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Nanne Ottema maakte omstreeks 1925 kopieën van 15de-eeuwse scheepsafbeeldingen uit een Engels manuscript. (Fries Scheepvaartmuseum Sneek)

Tussen 1438 en 1441 woedde er een kaperoorlog tussen enkele steden in Holland en Zeeland en de zes zogeheten Wendische steden. Dit waren Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, belangrijke steden binnen de Duitse Hanze. Over het waarom, het hoe en de politieke achtergronden van dit laatmiddeleeuwse conflict wil ik het de komende jaren gaan hebben, waarschijnlijk wordt het een boek. Over maritieme aspecten van het bestuur en de cultuur van Holland, Zeeland, de Hanzesteden en -kooplieden, over hun schepen, bemanning en bewapening, over de manier waarop er ter zee oorlog werd gevoerd, over de geschiedschrijving, over wederzijdse beeldvorming en over de resultaten van de gevechten. Wie deden er mee aan die oorlog en waarom en in wat voor wereld speelde zich dit alles af?

Meer dan 25 jaar geleden hield ik me ook al eens bezig met die Wendische oorlog. Ik had middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en op het eind van die studie zocht ik naar een goed onderwerp voor mijn (zo heette dat toen) doctoraalscriptie. Ik wilde dat het iets met schepen en scheepvaart te maken zou hebben, met Amsterdam, en het zou zich moeten afspelen in de 15de eeuw, de tijd van de Bourgondische hertogen, van Filips de Goede. De pracht en praal van het Bourgondische Hof, vermengd met de opkomende handelseconomie van een (toen nog) kleine zeevarende stad als Amsterdam.

Bijna als vanzelf kwam ik bij die Wendische oorlog uit, want daar zat alles in waar ik het over wilde hebben. Behalve de genoemde elementen speelden zelfs de Hoekse en Kabeljauwse twisten nog een belangrijke rol, dus hoe laat-middeleeuws-Hollands wil je het hebben! Ik maakte ingewikkelde schema’s over alle actoren in dat verhaal, trok lijntjes tussen cirkels om aan te geven wie met wie te maken had gehad en op welke manier. Ik onderzocht vele 15de-eeuwse bronnen, zoals de Rekeningen en Registers van de Hollandse grafelijkheid, brieven en oorkonden van de hertog van Bourgondië en de Raad van Holland; ik bestudeerde de zogeheten Hanzerecesse, dit zijn de verslagen en besluiten, de notulen, van vergaderingen van de Hanzesteden, juridische bronnen zoals de Memorialen van het Hof van Holland, enkele kronieken die tientallen jaren later geschreven werden zoals de Divisiekroniek en veel 19de- en 20ste-eeuwse literatuur over dit onderwerp. Sommige bronnen waren uitgegeven en in gedrukte vorm te bestuderen, voor andere moest ik naar het archief. Dit vond ik telkens een van de leukste en spannendste onderdelen van het historisch onderzoek.

Ik schreef vervolgens die doctoraalscriptie die ik ‘Schipperen tussen Hanze en Hertog’ noemde. Ik vond het best een goedgekozen titel omdat die naar mijn idee aardig weergaf waar het in mijn stuk om ging. De ondertitel luidde ‘Politieke besluitvorming in Holland’. Die is wat vager en, toegegeven, ook wat minder aansprekend, maar was wel nodig omdat ik in die scriptie vooral wilde reconstrueren op welke wijze de besluitvorming tot de oorlog tot stand was gekomen en vooral ook wat tijdens die oorlog de politieke repercussies waren geweest binnen het gewest Holland als geheel en binnen het bestuur van Amsterdam in het bijzonder. Dat was best een goede opzet en voor een deel was ik daar ook in geslaagd. De scriptie kwam in elk geval af en werd door de docenten en hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis goed genoeg bevonden om mij aansluitend het begeerde doctoraaldiploma uit te reiken. So far so good.

Na mijn afstuderen was ik van plan om op de ingeslagen weg door te gaan. De scriptie was weliswaar afgekomen, maar voor mijn gevoel had ik nog heel wat laten liggen. Ik had misschien wel een vermoeden gehad hoe de vork in de steel had gezeten, toen in de vijftiende eeuw, maar er ook niet werkelijk de vinger achter kunnen krijgen. Er moest nog zoveel méér zijn dat ik niet had onderzocht of verteld.

Ik had bovendien nog niet de laatste pagina’s van mijn scriptie getikt of de Berlijnse muur viel, op 9 november 1989. Dat had in zoverre impact op mijn verhaal omdat een groot deel van de geografische ruimte die in mijn scriptie behandeld werd in het toenmalige Oost-Duitsland was gelegen en in landen nog verder achter het ‘IJzeren Gordijn’, in Polen, Letland en Estland. Studie van Hanseatische geschiedenis was in ons land lange tijd niet erg en vogue geweest en diegenen die zich er wel mee bezig hadden gehouden in de decennia vóór 1989 waren in zekere zin gegijzeld geweest door de Oost-West verhoudingen, een uitzondering als de Fransman Philippe Dollinger wellicht daargelaten. Nationalisme en marxisme speelden daarbij lange tijd de boventoon. In de toenmalige marxistische visie van de Oost-Duitse geschiedschrijving waren de Hollandse kooplieden vooral vertegenwoordigers geweest van een vroeg handelskapitalisme, in een historisch-materialistische tegenstelling tot de Duitse Hanzesteden die nog helemaal de oude feodale verhoudingen belichaamden. Vooroorlogse Duitse geschiedschrijving betreffende de Hanze was sterk nationalistisch gekleurd en was door de Nazi’s zelfs geïncorporeerd in hun Weltanschauung, want bleek juist niet uit de geschiedenis van de Hanze de natuurlijke dominantie van de Duitsers over de Oostzee en de daar wonende volken?

Na 1989 veranderde dit alles. De politieke angel is uit de geschiedschrijving van de Hanze zo goed als verdwenen, de hoeveelheid literatuur over dit onderwerp is geëxplodeerd en de visie op de Hollandse handel met de Oostzeelanden is op vele punten verder onderzocht en bijgesteld. Er zijn in Duitsland diverse instituten waar het bestuderen van de Hanze-geschiedenis centraal staat. De universiteiten van Lübeck en Greifswald spelen daar een belangrijke rol in, maar ook in Groningen houdt men zich volop bezig met het Oostzeegebied. Het moet gezegd, de politieke angel is bijna verdwenen, want hier en daar steekt soms de opvatting wel eens de kop op dat de middeleeuwse Hanze ‘eigenlijk’ een soort voorloper is geweest van de Europese Unie. De Hanze wordt daarbij weer voor een eigentijds politiek karretje gespannen.

Een van de grootste veranderingen in de kijk op de Hanze is afkomstig van de historicus Dieter Seifert. Zijn door nauwkeurig bronnenonderzoek onderbouwde visie uit 1997 dat de Hanze tot eind veertiende eeuw een open gemeenschap, een netwerk, was, waar geen uitsluiting gold en dat daarom de tegenstelling tussen “de” Hanze en de Hollanders helemaal niet bestond, zoals de traditionele geschiedschrijving wilde mag welhaast een paradigmatische verschuiving heten.

Maar eerst nog even terug naar 1990.

Nadat ik mijn scriptie had afgerond waren er vele redenen om een vervolg te gaan maken, maar zoals dat gaat dat in het leven, het komt er domweg niet van omdat er andere dingen gedaan moeten worden. Ik werkte niet aan een universiteit of andere onderzoeksinstelling en kon me daarom maar zijdelings met historisch onderzoek bezighouden. En al die tijd stonden er nog een paar exemplaren van die doctoraalscriptie in de boekenkast. Ze gingen mee met elke verhuizing en elke keer weer had ik ze bij die gelegenheid in handen. Ach ja, die scriptie, zou ik er toch niet nog keer eens wat mee doen? Tot ik hem bij de laatste verhuizing niet alleen uit de verhuisdoos haalde, maar er ook in begon te lezen. Ik las hem opnieuw, soms hoofdschuddend en soms goedkeurend knikkend. Zou ik hem niet gewoon opnieuw moeten schrijven, maar dan vanuit een ander perspectief, meer geschreven vanuit de cultuur en de maritieme geschiedenis en minder vanuit het idee om een politiek besluitvormingsproces te analyseren?

Huizinga. Geen enkele historicus die zich met de Bourgondische 15de eeuw bezig houdt kan om Huizinga heen en zal zich op enig moment met hem moeten verstaan. Dat zal ik ook doen, maar hopelijk op een wat onnadrukkelijke manier. Ik ga niet 100 jaar na dato met Huizinga in discussie, noch zal ik hem slaafs navolgen of op pedante wijze aantonen dat hij het allemaal verkeerd zag en dat hij een eenzijdig beeld van de Bourgondische periode schetste en zich alleen op het Hof richtte, terwijl de wereld toch zoveel groter was. Laten we blij zijn met een historicus die er een alomvattende visie op nahield en die ons zulke mooie inzichten heeft verschaft. De tijd heeft niet stil gestaan en over veel aangelegenheden hebben we nu meer kennis dan Huizinga ooit voor mogelijk hield. Maar waar er nu hele teams zich op wetenschappelijke programma’s storten en systematisch onderwerp na onderwerp afgrazen stond hij er zo goed als helemaal alleen voor. Voor een dergelijke eruditie kan ik althans alleen maar grote bewondering hebben. Zijn doelstelling om een historisch tijdperk niet alleen droog te beschrijven en verslag van bronnenonderzoek te doen, maar ook en juist om zo’n tijd in kleuren en geuren proberen op te roepen, dat heeft mij altijd zeer aangesproken in zijn werk.

Schatplichtig aan Huizinga stel ik mij dus hier als opdracht: over schepen moet het gaan, over baerdzen, balengiers, kraken en hulken. Over haring en zout, stokvis, wijn en pek. Over de zee, de Oostzee, de Noordzee en de Zuiderzee. Over de Baai van Bourgneuf, de Rade van Brest, de haven van Brugge, van Amsterdam, van Danzig. Met overal de geur van hout en pek, nee, de kleuren van de schilderijen van Rogier van der Weyden die zich vermengen met de geur van stokvis, hout en pek.

PS: die oude scriptie staat niet online, maar hebben ze hier opgeslagen.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.